Max Prantl - mysticus, dichter, schilder en astroloog

Voordracht gehouden voor de ‘Österreichische Astrologische Gesellschaft’ op 28 februari 1985 door Alfred Brötz

Inleiding

‘Als er een veertje op de grond valt, beeft het hele heelal’. Deze uitspraak van Lao Tse is tegenwoordig voor ons geen puur poëtisch beeld meer, want het door mystici ervaren inzicht dat alles in de kosmos met alles samenhangt wordt steeds duidelijker ook van de kant van de wetenschap bevestigd. En waar gaat de leer van de kwaliteit van de tijd’ en de cyclisch werkzame krachten – de astrologie -  anders over dan over de onverbrekelijke, doorlopende samenhang van al het leven?Maar als nu het ervaren van deze eenheid, het kosmische bewustzijn het doel van de menselijke ontwikkeling is, dan is het heil voor de wereld en het lichtende voorbeeld voor iedere zoeker onder ons te vinden bij die enkelingen onder de miljoenen, die als Eeuwige Zonnen de geschiedenis doorstralen – mensen als Christus, Boeddha, Lao Tse, Zarathoestra, Meister Eckehard, Franciscus van Assisi, Hildegard van Bingen, om er maar enkele te noemen; en daarmee zijn alle heiligen in alle culturen, alle scheppers van grote gedachten, schilderwerken en muziekstukken bedoeld, maar ook al diegenen die onbekend gebleven zijn: de heimelijke in-beweging-zetters en bevorderaars van de ontwikkeling, die er steeds en in alle tijden geweest zijn. Vrijwel een ieder van ons heeft al eens een mens ontmoet die boven de anderen uitstak, die meer wist en een centrale kracht uitstraalde, die geen overtuigend argumenteren nodig had om op zijn omgeving een veranderende invloed uit te oefenen. Vaak zijn het mensen in eenvoudige posities als ambtenaren, verpleegkundigen, boeren enzovoort, vrijwel nooit beroepsmatige priesters of artsen.En de man die ik in mijn voordracht op 28 februari bij de toehoorders van de ÖAG voor het voetlicht wil halen was eveneens vrijwel geheel onbekend, hoewel hij zonder twijfel één van de zeer zeldzame echte mystici was. En wat voor veel mensen zeker interessant zou kunnen zijn: hij was bovendien schilder, dichter, astroloog en niet in de laatste plaats Oostenrijker.

Boodschap

Dat de boodschap van deze geest pas nu weer sterker tot het bewustzijn van de mensen doordringt is waarschijnlijk een typisch kenmerk van het beginnende Waterman-tijdperk.  Ik zou zijn lot tot nu toe dan ook niet als typisch Oostenrijks willen aanduiden, want geestelijke waarden van een dergelijke kwaliteit worden waarschijnlijk overal slechts door een minderheid waargenomen – en overal zou een groot deel van onze tijdgenoten, in het bijzonder echter zij die wereldse en kerkelijke macht bezitten, bewust of onbewust een dergelijke onaangename, röntgenachtige analyse van de menselijke natuur doodzwijgen en de gedachten van vrijheid onderdrukken. Niemand kan over zijn eigen schaduw heen springen. ‘Wie voldoende geslapen heeft, wordt vanzelf wakker’ (uit: ‘Die Antwort der Engel’ door Gitta Mallasz).

‘God is in alle mensen, maar slechts weinig mensen zijn in God’ (Ramakrischna). Bij ons allemaal is de weg naar ons Zelf min of meer bedolven en versperd. De meesten drijven met de stroom mee. Het is kennelijk een voorwaarde om bij de bron terug te komen, dat met tegen de stroom van de tijd in zwemt. Maar wat een tegendruk, wat een consequenties! Om die reden heb ik steeds bewondering gekoesterd voor die vechters die hun leven gaven voor hun overtuiging, en ik geloof dat ik tegenwoordig beter begrijp waarom zo velen op hun tijd stuk moesten lopen, op zijn minst wat hun persoonlijkheid betrof; op de een of andere manier bestaat er een eigenaardige verbinding tussen mensen als Hölderlin, Nietzsche, Van Gogh, Trakl, Wittgenstein tot aan Max Prantl toe, over wie hier gesproken zal worden.

Wat Prantl ons in een door moord, terreur, onderdrukking en natuurvernietiging geteisterde tijd wil zeggen is uitermate actueel voor ons, want het levensvijandige heeft in deze tijd deels verfijndere, geraffineerdere, als beschaafd gemaskeerde vormen aangenomen en verbergt zich dikwijls zelfs achter schijnbaar vooruitstrevende doelen. Juist door de michaëlische geest van Prantl kunnen wij leren te onderscheiden en alle vormen van angst in onszelf leren doorzien en afbreken – de angst die de grootste belemmering bij geestelijke ontwikkeling is.

Nu is het voor een gewone sterveling bijna onmogelijk om iets te zeggen over iemand anders die in ontwikkeling veel verder is dan hijzelf – en wat mystieke verlichting betreft zijn de uitspraken van alle mystici gelijkluidend, namelijk dat woorden daarvoor niet meer toereikend zijn. Prantl zegt het als volgt: ‘... geen woord op de hele aarde is waar. Woorden kunnen enkel naar de waarheid toe leiden of er misleidend van wegvoeren. Daar moeten jullie hun waarde aan afmeten. Woorden die naar de waarheid toe leiden moet je in ere houden en liefhebben. Maar klem je in geen enkel opzicht angstig vast aan het aardse, ook niet aan woorden. Woorden zijn schillen, tekens, symbolen voor een onuitsprekelijke inhoud, die in jezelf tot levende waarheid moet worden…’.

Toen mij door de ÖAG voorgesteld werd om een voordracht over Max Prantl te houden was de beslissing niet gemakkelijk, want ik was het absoluut niet gewend. Maar ik voelde dat het geen toeval was en dat ik het moest doen. De bevestiging daarvan kreeg ik op het laatst een paar uur vóór de voordracht, toen meneer Belcsák de combinatie Belcsák/Brötz in de computer invoerde. Tot stomme verbazing van ons beiden kwam er een Asc tevoorschijn, die tot op een graad nauwkeurig met de Asc van Max Prantl overeenkwam. Op deze graad staat bovendien mijn Jupiter, wat u mijn instelling ten opzichte van Prantl nog extra kan illustreren.

Ik heb geprobeerd om een paar grote lijnen van deze complexe persoonlijkheid te schetsen en o.a. vast te stellen hoe een verlichting, als die al plaatsvindt, zijn astrologische neerslag heeft. Omdat ik een zo afgerond mogelijk totaalbeeld van zijn leven en werk wilde geven, war er dus maar één vorm mogelijk: met een groot eerste deel dat uit eigen getuigenissen, biografische notities en oordelen uit zijn en onze tijd bestaat. Mevrouw Lotte Ingrisch, die ik als ‘geestelijke zuster’ van Max Prantl zou willen aanduiden, heeft o.a. met twee artikelen in de ORF en in het tijdschrift ‘Esotera’ de publieke aandacht op hem gevestigd. Ik zal hier citaten uit zijn hoofdwerk en haar commentaar dooreenvlechten. Nu dus naar het geboortebeeld van Max Prantl.

Het geboortebeeld

Voor een goed begrip van mijn astrologische werkwijze wil ik nog opmerken dat de Münchner Ritmeleer de grondslag van mijn astrologie vormt. Bij de belangrijkste onderzoekingen in de tijd zal ik het directiesysteem van de ÖAG ook gebruiken, en het was verheugend voor mij om te constateren dat er bij beide resultaten voor een deel frappante overeenstemmingen naar voren kwamen. Voor hen die met de Münchner Ritmeleer niet vertrouwd zijn wil ik graag uitleggen dat deze fundamenteel van de vier kwadranten uitgaat, als de vier oer-grondslagen van het Zijn in de zin van Aristoteles.

Het 1e kwadrant is de materiële oer-grondslag en heeft betrekking op de lichamelijke kant van de mens, het 2e kwadrant geeft het aandeel van de ziel weer, het 3e dat van de geest en het 4e is datgene wat bewerkstelligd werd. Het systeem is excellent om reden dat daarmee ook aan de gebeurtenissen een plaats gegeven kan worden. Vereenvoudigd uitgedrukt vindt de duiding in drie stappen plaats, overeenkomstig een hiërarchie in de aanleg.

1. De Asc geeft het fundamentele materiaal van de aanleg weer, 2. de Zon zet het om in leven en 3. het MC geeft het resultaat weer, de som van het geheel.

Bij de ritmische uitwerking van 7 jaar per huis in de richting van de klok kan men dan nagaan, op welk moment in de tijd de afzonderlijk aanleg-kwaliteiten (planeten) aangetroffen worden c.q. naar voren treden. In het voorbeeld van Prantl zouden dus de eerste 7 jaren het accent op Weegschaal hebben (Asc - midden 12e huis. Men doorloopt dus het 12e huis maar draagt de zeven-deling ook over op het 2e huis omdat Venus, de heerseres van Weegschaal, zich daar bevindt. In een opeenvolging in de tijd zouden derhalve in de eerste 7 jaar de volgende planeten hun invloed kenbaar maken: Jupiter na een jaar, Venus na krap anderhalf jaar, Mercurius met vierenhalf en de Maan met vijf jaar.

Verder gebruik ik hier twee factoren die waarschijnlijk niet algemeen bekend zijn en die voor het eerst door Landscheidt in de duiding zijn betrokken. Dit zijn het ‘galactische Centrum’ (het centrum van onze Melkweg) en de ‘Apex’, dat is een punt in het sterrenbeeld Hercules, waar ons zonnestelsel naartoe beweegt. De beweging is zo gering (ongeveer een boogminuut per jaar), dat dit punt pas door exacte aspecten in de radix individuele betekenis krijgt (orb minder dan een graad). De planeet die een aspect met het Galactisch Centrum maakt heeft dan voor de betrokkene ‘centrale betekenis voor het innerlijk evenwicht’, bij een aspect met de Apex krijgt hij een ‘richting gevende betekenis’.

Met betrekking tot de radix van Prantl kunnen we nu vragen (zie hor. 1): Wat heeft hij als materiaal ter realisering meegekregen, wat wil hij tot leven brengen? Bij de ritmische uitwerking van 7 jaar per huis in de richting van de klok kan men dan nagaan, op welk moment in de tijd de afzonderlijk aanleg-kwaliteiten (planeten) aangetroffen worden c.q. naar voren treden. In het voorbeeld van Prantl zouden dus de eerste 7 jaren het accent op Weegschaal hebben (Asc - midden 12e huis. Men doorloopt dus het 12e huis maar draagt de zeven-deling ook over op het 2e huis omdat Venus, de heerseres van Weegschaal, zich daar bevindt. In een opeenvolging in de tijd zouden derhalve in de eerste 7 jaar de volgende planeten hun invloed kenbaar maken: Jupiter na een jaar, Venus na krap anderhalf jaar, Mercurius met vierenhalf en de Maan met vijf jaar.

Bij de Asc in Weegschaal is gegeven: het opnemen van beelden, contactvaardigheid, vermogen om dualiteiten tot evenwicht te brengen, vermogen tot harmonie; volgens Prantl zelf heeft Weegschaal als belangrijkste betekenis het scheiden der geesten’, dus het scheiden van wat verschillend van aard is en ook het verbinden van wat geestelijk bij elkaar behoort, in de zin van ‘ontbind en bind’. We kunnen nu zien waar deze aanleg op doelt. Venus als heerser van de Asc bevindt zich in het 2e huis in Boogschutter in conjunctie met Jupiter in zijn eigen teken; Venus en Weegschaal staan dus in dienst van het leidende en ontwikkelende beginsel van de Christuskracht, zoals Prantl zelf Jupiter uitlegt.

Horoscoop van Jupiter in de voordracht van Brötz
Horoscoop 1

 

Dat dit vooreerst nog latente bestand aan krachten en begaafdheden in het 2e huis ook het kunstzinnige talent inhoudt is duidelijk, te meer daar Venus en Jupiter bij de equale huizentoepassing die Prantl gebruikte (volgens J. Vehlow – redactie) reeds in de nabijheid van het 3e huis staan – ze staan direct in het gebied van het weergeven. Terwijl iedere werkelijke kunst religieus is, is dat in dit geval heel in het bijzonder zo, omdat Jupiter alles tot het weidse en ideële verhoogt.

Zoals ik van zijn zuster Elisabeth vernomen heb was hij ook muzikaal heel begaafd. Hij componeerde en kon meeslepend improviseren. In dit verband kan een kleine anekdote Prantls spontane humor illustreren, die vaak aan de dag trad als hij de zijnen wilde opvrolijken. Toen Prantl bij de toenmalige dirigent van het Tiroler Landestheater, Nessler, pianoles wilde nemen, stelde deze hem direct bij het begin op de proef door hem een melodie voor te spelen die Prantl moest herkennen. Het antwoord kwam prompt: ‘Jozef Groen’. Nu was Nessler op zijn beurt een ogenblik op de proef gesteld, tot vrolijk genoegen van beiden. Het antwoord was natuurlijk goed, want het ging om een melodie van Giuseppe Verdi.

De engel met het zwaard 


Terug naar de radix: de Zon laat ons nu zien hoe en op welke wijze deze aanleg tot leven wordt gewekt, het is de weg van opstelling en realisatie, in deze zin ook de hogere geestelijke taak. Deze staat in het 1e huis in Schorpioen in nauwe conjunctie met Mars. Duidelijker kunnen de symbolen van een strijder waarschijnlijk niet uitgedrukt zijn. Het beeld van de ‘engel met het zwaard’ krijgt scherpe contouren. Het motief van Weegschaal wordt dus samen met een hartstochtelijk strijdershart compromisloos, met absolute trouw aan zijn leidende ideeën en hogere opdracht uitgevoerd, want Pluto staat in het 9e huis; verder staat de Zon in relatie tot het 10e huis omdat daarin het teken Leeuw besloten ligt, waardoor de strijd en de scheiding der geesten zijn beroep of liever: zijn roeping was. 

Deze strijd en de psychische identificatie met de realiteit maakt het belang van deze man uit en geeft hem als het ware de bovenpersoonlijke, verplichtende invloed die van hem uitgaat, vooral omdat het 10e huis Kreeft en Leeuw omvat. In dit verband is het nog van belang dat de Zon en Mars in het 1e huis tevens in dienst van Venus-Jupiter staan – inderdaad zegt hij ergens dat hij voor Christus de weg vrij wil vechten.

Horoscoop 2 over Christus in de voordracht van Dr. Brötz
Horoscoop 2

 

Behalve deze grondstructuur vallen natuurlijk direct de twee opposities Mercurius-Saturnus en Uranus-Neptunus op, die in harmonische verbinding met elkaar een ]zogeheten ‘magische rechthoek’ (of begaafdheids-figuur) vormen (zie hor. 2). Tevens staan er twee drakenfiguren in zoals bij de doodshoroscoop. Uranus op het IC, het punt van het onderbewustzijn, op het bronpunt van de ziel, waar het diepere gevoel in de zin van het in-zichzelf-ontdekken naar boven komt, is als het bliksemend oplichten of belichten van psychische inhouden. Neptunus in culminatie, in het gebied van het bovenbewustzijn, als kenmerk van de visionair. Dat deze beelden voor hem heel wezenlijk waren, laat ook het 150°-aspect met het galactische Centrum zien. Iets zwaars, onverbiddelijks, noodlottigs ligt er in de oppositie Mercurius-Saturnus, vooral omdat deze in de huizen 2 – 8 valt. Hier wordt de zwaarte van zijn offergang heel begrijpelijk voor ons. Dat dit offer tot in het psychische gebied reikte wordt duidelijk door de betrekking tot het 1e kwadrant. En inderdaad zullen we aansluitend kunnen constateren dat deze oppositie bij ziekte steeds aangesproken werd. ‘Met de ogen van de Waterman, die van ons nieuwe tijdperk, hebben wij de Indische goeroes en de indiaanse sjamanen ontdekt. In het westen treedt de oude mystiek van het oosten ons als een nieuwe natuurwetenschap tegemoet. Twee drugs brengen ons bewustzijn in een kosmische roes: moderne techniek en de toverplanten van het verleden. De ‘andere’ wereld opent zich. Schrikken wij, als we plotseling begrijpen dat de ‘wachter op de drempel’, die wij als vreemdeling in de verte zochten, de hele tijd als broeder vlak naast ons stond? Wij schrikken.

Mystieke reis 

‘Gisteren, zondag 1 augustus 1948, gebeurde er iets zo onbegrijpelijks. Sinds vele jaren had ik er een vermoeden van, dat ik vlak voor de poort van een niet te vatten, geweldige wereld stond. Maar ik kon de grendel niet vinden die de deur nog voor mij gesloten hield, want ik was blind, blind van angst, zoals ik nu weet. Nu werd ik ziende, nadat ik alle angsten die een mens kan voelen, ongegronde en gegronde, doorleefd en van mij afgeworpen had. Ik werd ziende, ik vond de grendel en de poort sprong open; het werd licht in mij en om mij heen, zo onbegrijpelijk plotseling, zo verpletterend, alsof midden in de nacht de zon met een donderslag boven de horizon geworpen werd'.

Zo begint Max Prantls mystieke reis. Hij was destijds vijfendertig jaar - de klassieke leeftijd voor het ervaren van kosmische bewustzijn, verlichting. De mens is een slaper, de mens is een dromer. Als hij ontwaakt is de droom, is de slaap, is hijzelf er niet meer. Het langzame ontwaken noemen we 'evolutie', en het plotselinge: 'mystiek'.  In werkelijkheid is mystiek echter niet meer dan het einde van onze oude ontwikkeling en, misschien, het begin van een nieuwe. Luisteren we naar wat een ontwaakt mens zegt:

 ‘De laatste maanden beleefde ik mijzelf dikwijls als een lichaamloos wezen, als iemand die in het onaardse rondwandelt. Sindsdien kon ik mijn innerlijke krachten vrijmaken en uitstralen, een blauwwit, verblindend aartsengelvuur om te strijden met de duivelse machten, en een purper-violet licht (dat ik echter beter fluweelrood kan noemen), dat ik als ‘straling van vrede’ voelde.  Maar ik voelde dat het mij nog aan één straling ontbrak: die van de vreugde' .


Max Prantls leven was triest. Als schilder en dichter bleef hij miskend, en slechts weinigen spitsten de oren toen hij een nieuw tijdperk verkondigde. ‘Ik heb’, zegt Max Prantl, ‘op schokkende wijze het geheim van de vrijheid beleefd’. 

‘En toen gebeurde het. Met een geluidloze en toch verpletterende slag, zoals wanneer er een granaat of een bliksem vlakbij inslaat, zodat men in een vermorzelend lichtschijnsel staat maar geen geluid meer hoort, scheurde de diepste en de hoogste grond van mijn wezen in mij open. Reeds maandenlang kon ik daar binnenvliegen, maar ik zag die altijd boven, buiten mijzelf. Ik voelde mijzelf in het middelpunt van een ruimte, die echter ook ‘ikzelf’ was. Boven dat middelpunt stroomde een levendig, verterend vuur als een levende zon. Het kwam deze ruimte niet van buitenaf binnen maar stroomde er binnenin. Onderaan stond een zacht ademend, blauwachtig licht, dat zich in de diepte als in een afgrond verloor. Dat zag ik in een onmetelijk kort ogenblik. Toen was alles een gouden vuurzee. Met een schok trof mij het besef: mijn goddelijke en mijn aardse wezensdelen hebben zich verenigd. ‘Boven’ en ‘beneden’, mijn hogere en lagere ik, geestelijke mens en aardse mens zijn één: de mystieke bruiloft. Wat er intussen met mijn lichaam gebeurde weet ik niet. Ik leefde zonder mijn lichaam, en vond het later pas terug. Als een geheel ander mens stond ik weer op. Het was alsof een afgrond mij scheidde van mijn leven tot dan toe. Deze afgrond is de mystieke dood'.

Horoscoop van de mystieke reis van Max Prantl
Horoscoop 3

 

Met deze beschrijving van zijn mystieke ervaring zijn we tot het brandpunt van zijn leven doorgedrongen, tot het waarschijnlijk belangrijkste jaar van zijn leven, 1948.

Brandpunt 1948

Hier vond hij de geestelijke vervulling, maar tevens de eerste werkelijke erkenning van zijn scheppend werk als schilder. In dat jaar ontving hij van prof. Boeckl de kunstprijs van Wenen. Laten we zijn verlichting astrologisch onderzoeken; eerst aan de hand van een totaalbeeld (zie hor. 3), waarin u aan de binnenzijde de radix ziet en in de buitenste ringen van binnen naar buiten  de progressieve posities, zonneboog en transits. De 7-jaar-periode van 35-42 is aan de rand verduidelijkt. De driehoekige pijlen op de binnenste gradenverdeling duiden het punt van de ritmische uitwerking aan. Bij zijn verlichting was dus de conjunctie Venus-Jupiter actueel. Deze conjunctie in Boogschutter is, zoals we reeds bij de interpretatie van het geboortebeeld hebben gezien, van buitengewone betekenis. Terwijl ze heel in het algemeen geluk en harmonie belooft, werd hier klaarblijkelijk het hoogst denkbare niveau van deze krachtencombinatie beleefd als extatische liefdesvereniging van de aardse en goddelijke wezensdelen van de eigenaar van de horoscoop, als diepste openbaring van de goddelijke liefde. Toen ik deze uitwerking zag, dacht ik daarbij aan het werk van Belcsák over de dromen (= innerlijk schouwen en openbaring), waarin de rol van Jupiter extra benadrukt wordt. Is het niet zo dat men steeds wanneer het om hogere kennis, intuïtie en inspiratie gaat, vooral eerst en bijna uitsluitend naar de trans-saturniërs kijkt en daarbij gemakkelijk over het hoofd ziet wat voor centrale rol Jupiter (Boogschutter, 9e huis) daarbij speelt? – Jupiter, het beginsel van inzicht en begrip voor al het leven buiten het Ik. De volgende aspecten mogen dit nog onderstrepen:

Jupiter progr. bereikte het Galactische Centrum rad. en markeert verder een inzicht dat voor het innerlijke evenwicht van Prantl en bovendien dat van de hele wereld van centrale betekenis was. Jupiter voortgaand bereikte exact Jupiter rad. Maan, Venus en Uranus progr. verzamelen zich op dit tijdstip bij IC-Uranus rad., dus bij de onderste pool van die oppositie die de visionaire begaafdheid van Prantl eenduidig laat zien, en wijzen op het plotseling oplichten of belichten van psychische inhouden. Opvallend is nog dat ook het Galactische Centrum in de beweging van de zonneboog juist bij deze plaats IC-Uranus komt. Venus-Uranus voortgaand kwamen precies op de radix-Pluto, waardoor de bovenpersoonlijke liefde tot het plotseling naar voren springende beeld wordt.  MC regr. bereikt deze radix-Pluto eveneens. Kan man daarin het bewustworden van zijn ware geestelijke naam zien? Want ook dat gebeurde in deze dagen: nauwelijks had hij een poort naar het licht opengeduwd, of de demonen dringen op hem aan, honderden gestalten, sommige fel oplichtend, grijnzend achter hun engelenmaskers. Ze spreken tegen hem, hij leest hun woorden als gedachten die in hun gestalten vibreren. Ze brengen hem in verzoeking met macht en schitterende namen Weerzin grijpt hem aan.

De strijdkreet

'Nee. Mijn naam geef ik mijzelf! Vanuit mijn diepste innerlijk kwam er een naam in mijn bewustzijn. Een heel gewone naam. Heel velen mensen dragen hem. Maar ik voelde: dit is mijn naam. De innerlijke naam beduidt het wezen. Het wezen, zoals ik mijzelf in de geestenwereld heb herkend, wil ik ook hier op aarde zijn'.

Tegelijk met de naam stijgt er een melodie in hem op, nuchter en hard als een strijdkreet, en ook deze herkent hij als van hemzelf. Gevolg gevend aan een plotselinge impuls slingert hij zijn naam met deze melodie de zielenwereld in. De naam staat als een stromende en wiegende lichtbaan boven de wereld en lost dan op in een in de verte weergalmende, rommelende donder die hem ijselijk diep aangrijpt. De lichte gestalten zijn verdwenen. Laat de mensen die hun traditie van rationalisme nog voor de algemeen geldige houden, en psychiaters die tot nu toe nog niet de socratische wijsheid van ‘Ik weet dat ik niets weet’ hebben bereikt, voortgaan met hun oordelen uit te spreken. Ik vecht hun oordeel over de mysticus Max Prantl niet aan, maar geloof hem wanneer hij zegt: ‘Mijn weg als mens met vermoedens en dromen is voltooid. Ik ben ontwaakt. Ik ben een Eeuwige Zon. Licht uit het Oerlicht, ik ben de oneindige liefde’.

‘Christus is de leidende ster in de nacht van hen die in geestelijk opzicht dromen. Om mij heen is het geen nacht meer, om mij heen is het licht van de ochtend. Ik ben de hoeder van de drempel naar oneindige vrijheid en oneindige liefde. Ik wek de dromers die rijp zijn om te ontwaken, die willen ontwaken, en leid hen over de drempel, nog in dit aardse leven of in de dood’.

Mystieke ervaringen

Horoscoop voor mystieke ervaringen in de voordracht van Dr. Brötz
Horoscoop 4

 

Maar laten we de sporen van zijn mystieke ervaring verder volgen; kijken we naar de progressieve en de regressieve horoscoop voor 1948 (zie hor. 3 en 4): We zien een ingressie: Venus-Uranus op regr. MC; de Zon progr. Conjunct met het 3e huis rad. (Regiomontanus) en nog een reeks andere aspecten die men uit de tekening kan halen laten naar mijn mening de conclusie toe, dat ook het ervaren van een verlichting niet geheel en al buiten de horoscoop staat, maar net als al het andere zijn kosmische overeenstemming bezit. Het moeilijkste in de astrologie is volgens mij om steeds het juiste niveau begrijpen waarop een planetair beginsel uitwerkt; dat hangt samen met de omstandigheid dat men, ook volgens Prantl,  de eigenlijke ontwikkelingsrijpheid van een mens (Ring: ‘Ontwikkelingsniveau’) niet of vrijwel niet uit de horoscoop kan opmaken. Wat betekent bijvoorbeeld het beginsel Uranus voor een steen, voor een plant, voor een dier, voor een ongedifferentieerde c.q. uiterst complexe mens? Maar om nogmaals op Prantls licht-ervaring terug te komen: het is toch een onmiskenbaar feit dat zo’n ervaring, zoals het woord verlichting al doet begrijpen, altijd van licht vergezeld gaat. Hogere kennis is altijd verbonden met een toename aan energie die uitstraalt, de gehele mens doorstraalt en de omgeving van licht vervult (heiligen-aura). Heel vaak wordt de zon als gelijkenis erbij gehaald. Landscheidt heeft er bij één van zijn voordrachten in Innsbruck echter op gewezen, dat lichtverschijnselen in de chromosfeer van onze echte zon vaker aan die kant van de zon voorkomen die naar het galactische centrum van onze Melkweg gekeerd is. Men kan er zeker van zijn dat door de centraalzon geestelijke informatie naar onze zon wordt gezonden (waarbij gravitatiegolven als overdrachtsmedium dienen). Vervolgens was hij van mening dat deze zonne-erupties – vanwege hun flakkerende licht worden ze ook wel ‘flares’ genoemd – tegelijkertijd vlammen van inzicht zijn, omdat ze zulke geweldige energieën vrijmaken die onvermijdelijk met geestelijke informatie gepaard gaan. En het is volgens hem veelbetekenend dat ook bij mystieke ervaringen inzichten als identiek met lichtverschijnselen ervaren worden. De magneetvelden van onze aarde zijn, zoals men heeft vastgesteld, ook niets anders dan informatiedragers c.q. ontvangers en doorgevers van zulke geestelijke impulsen – men heeft het botsen van de zonnewind op ons magneetveld zelfs hoorbaar kunnen maken. Dat geeft een wonderlijke muziek (‘Nada Brahma – Die Welt ist Klang’ door Joachim Ernst Berendt).

Wat de uiterlijke levensloop van Max Prantl betreft heb ik helaas maar weinig gegevens tot mijn beschikking. Het gezin Prantl stamt van moederskant uit het Wipptal, van vaderskant uit het Achental. Max, zijn twee broers en zijn zuster kwamen in Mühlau ter wereld. Mühlau, dat noordelijke stadsdeel van Innsbruck – dit wil ik terzijde even noemen – schijnt van oudsher een bijzonder interessante plek te zijn; men zou het bijna de ‘culturele hersenen’ van het toenmalige Innsbruck kunnen noemen. Trakl heeft daar en tijdlang bij zijn begunstiger Ludwig von Ficker, de stichter en uitgever van de ‘Brenner’, gewoond en gewerkt, Karl Dallago, Leitgeb, Graf Hermann von Keyserling en zijn wijsheidsschool waren daar, verder de schilders Riß en Schnegg, om er maar enkele te noemen. Karl Kraus heeft eens gezegd dat hij met zijn ‘Fackel’ niet met de ‘Brenner’ kon concurreren. De opgroeiende mensen werden dus nog omgeven door het frisse, open, cultuurbewuste klimaat tussen twee oorlogen in, in het overigens zo ‘zwarte’, traditionele Tirol. Max was sinds zijn vroegste jeugd ziekelijk, leed reeds in de eerste jaren aan astma, op zijn twaalfde aan tbc; in deze tijd valt ook een verblijf in een kuuroord in Zuid-Tirol, waar hij bij een val op een platte rots een leverkwetsuur opliep, met 19/20 jaar voorhoofdsholteontsteking en aansluitende operatie. Verantwoordelijk voor deze levenslange gevoeligheid is de oppositie Mercurius-Saturnus van 2 tot 8, die steeds een zwakke lichamelijke afweer met zich meebrengt. Ook in de tijd werkt juist deze oppositie iedere keer ritmisch uit, inclusief een oorlogsverwonding in het voorjaar van 1945 op de leeftijd van 32,5 jaar.  Voor deze laatste bestond er een parallele constellatie in de progressieve horoscoop: MC progr. vierkant Mercurius-Saturnus rad., en ook Mars voortgaand vierkant Mercurius-Saturnus rad. Zon-Maan progr. conjunct met Jupiter-Venus rad. betekent daarbij waarschijnlijk de relatief goede afloop: zijn elleboog raakte verbrijzeld. Al op het gymnasium werd Prantl een genie genoemd. Hij was bij de Maria-studentenvereniging en vertelde in deze tijd tegenover pater Miller van zijn helderziende ervaringen. Belemmerd door zijn zwakke gezondheid als hij was, kon hij de door hem nagestreefde medicijnenstudie niet voltooien. Zijn begaafdheid als schilder was even geniaal als zijn taalkundige gave. In een veldpostbrief schrijft hij:

‘Een september negentienvierendertig. Het is eigenaardig, hoe mij zo nu en dan steeds opnieuw het idee om medicijnen te gaan studeren als een storm overvalt. Ook deze keer kwam het als een plotselinge koorts. Ik had al bijna het besluit genomen om na de oorlog arts te worden. Toen pakte ik mijn horoscoop en zag dat er zo'n veertig bindingen met de kunst tegen twintig met medicijnen c.q. ziekte bestaan'. 

‘Tweeëntwintig september. Nu zit ik weer zo vol mooie plannen, muziek en schilderijen, dat ik haast de grond onder mijn voeten kwijtraak. Bovendien staat steeds weer de onopgeloste kwestie van het artsenberoep te dringen. Mijn drang tot onderzoeken strijdt met de visioenen, die sterker zijn. Alleen: ik moet helpen. En doe ik dat met de kunst in voldoende mate? Het is ook de wil om macht te hebben over lichamen en zielen, die mij ertoe dringt om arts te willen worden. 

‘Wat de grote wereld van mensen betreft zal ik eenzaam zijn'. Dat bleef hij, terwijl hij door de tijd tussen ruïne en economische opleving heenging als door een woestijn. Wie zou de zuivere geest van zijn sprookjes begrijpen? Wie zijn schilderijen van bloemen, waarvan de ziel als licht uit alle kelken stroomt?’

Ommekeer

In 1938, de tijd dat Hitler Oostenrijk binnenviel, wijzen de astrologische symbolen duidelijk op een beslissende levenscrisis. In het 7-jaarsritme komt men met bijna 27 jaar in het 9e huis bij Pluto, die hier staat voor een verandering in leidende denkbeelden in wereldbeschouwend opzicht. Door Pluto wordt tevens de combinatie Zon-Mars in Schorpioen aangesproken, zodat men kan vermoeden hoe verleidelijk de op strijd gerichte houding van het nationaal-socialisme voor de 26-jarige geweest zal zijn, aangezien hij zich mogelijk juist in deze tijd van zijn eigen strijdbare levenstaak bewust was geworden – die evenwel in een heel andere, ja volkomen tegengestelde richting zou wijzen. In dat jaar valt ook zijn uittreden uit de katholieke kerk. De progressieve en de regressieve horoscoop laten eveneens heel markante, zeldzame constellaties zien: de Asc progr. conjunct met Zon-Mars rad., Asc regr. conjunct met de Maan rad. In 1943/44 doorzag hij Hitler en de ware drijvende kracht achter het nationaal-socialisme, maar ook de rol van Churchill, Stalin en Roosevelt; in brieven probeerde hij de zijnen in half gecodeerde vorm hierover in te lichten, wat bij de toenmalige censuur gevaarlijk was. In de laatste oorlogsjaren moet er een geweldige strijd in hem hebben plaatsgevonden, en hij voorvoelde reeds dat hij op iets groots afstevende. Van de transformatie die toen plaatsvond verhaalt zijn hoofdwerk ‘Het stralende hart’ (Duitse titel: ‘Licht aus der Herzmitte’). In deze jaren ontwikkelde hij een overvloed aan kunstzinnige concepten. Een paar zinnen uit een veldpostbrief uit die tijd kunnen u wellicht zijn innerlijke gesteldheid van toen duidelijker maken:

'De dood ging als een ploeg door mijn hart en scheurde de diepste diepten open. Achter de Godsberg gaat mijn levenszon onder. Er komt een nieuwe op,  die geen naam meer heeft...' .

En voordien, in de schemering, de verlatenheid tussen twee werelden: 'Ik wacht zo vurig op een brief van jou, hoewel het haast onbehoorlijk is, want je hebt mij immers pas nog geschreven. Het is alleen maar omdat ik mij zo eenzaam voel dat ik soms miauw (maar zachtjes, en enkel bij wijze van grap). Mijn kameraden zijn in veel opzichten als kleine kinderen. Mij staat een grote verandering te wachten...'.

Mystieke zonsopgang

Als vijand van sekten en gedresseerd ontwaken’ raadt de Oostenrijkse mysticus één enkele oefening aan, die natuurlijk wel dikwijls en steeds weer opnieuw gedaan moet worden: ‘Laat je lichamelijke hart, alleen als aanschouwelijke voorstelling, opvlammen tot een stralende zon en zeg tegen jezelf: ‘Mijn goddelijk erfdeel licht als zaligheid, vrijheid, licht en liefde in mij op. Ik laat mijn hele lichaam vullen met dit licht; ik laat het bovendien nog naar buiten uitstralen, tot het in mij en om mij heen helder licht wordt als de zon. Deze mystieke zonsopgang, die jij in je materiële lichaam alleen als aanschouwelijke voorstelling beleeft, is in het stralenlichaam van je bewustzijn een direct werkzame, zichtbare realiteit. Met het vuur van jouw goddelijke wil verbrand je letterlijk en werkelijk alle zwartheid en vervormingen van je bewustzijn.’  

Zijn God stond boven’ de kerken, een voorbij alle horizonnen bruisend vuur, een voorbij alle grenzen en begrippen laaiend licht’. Brandend spreekt Max Prantl tot ons: ‘Ik ben de dood, de kracht van transformatie. Ik, Michaël...’. De innerlijke naam. Het wezen. De strijder. Herinneren wij ons de betekenis van deze aartsengel! Hij is de wachter op de drempel, wachter op de grens tussen dag en nacht. Hij zendt de dromen en hij interpreteert ze ook. Hij is de blauwe engel des doods, die onze zielen tegen demonen beschermt en naar gene zijde geleidt. Hij geneest de zieken en overwint de chaos, de draak der duisternis. Michaël is de boodschapper van het licht. De Grieken noemden hem Hermes, de Indiërs Indra, de Babyloniërs Mardoek. Alle sjamanen werken vanuit het wezen van Michaël, want hij verbindt de wereld met God.

Aan het eind van zijn boek staat: ‘ Nu vragen jullie mij: Is dat allemaal waar? Ik zeg jullie: Geen woord van dat alles is waar. Mijn woorden komen uit het diepst van mijn hart. Ze zijn eerlijk en kunnen tot het uiterste serieus genomen worden. Daar sta ik met mijn volle aardse en innerlijke naam voor in. Maar mijn woorden zijn noch waarheid, noch dwaling, noch leugen. Ze zijn een weg naar de waarheid. Niets aards kan waarheid zijn. Geen woord op de hele aarde is waar. Woorden kunnen alleen naar de waarheid toe leiden of er bedrieglijk vandaan voeren. Woorden zijn schillen, tekens, symbolen voor een onuitsprekelijke inhoud, die in jullie zelf tot levende waarheid moet worden’.             

Hoe is iemand, die het waagt om op die manier te spreken? "MS Mincho"'>Elisabeth, zijn jongere zuster, antwoordt: 'Eenvoudig, bescheiden, zonder pretenties. Geen pathos. Hij kleedde zich heel eenvoudig, hield van kleuren. Aan stijve kragen en stropdassen had hij een hekel. Bij bijzondere gelegenheden droeg hij een zwart ribfluwelen jasje. Hij woonde op een eenvoudige kamer met een vleugel in de Anton-Rauch-Straße 41 in Innsbruck. Hij hield van bloemen en dieren en, in zijn jeugd, van edelstenen, die hij evenwel niet als sieraad droeg.’

‘Max was 1 meter 86 lang, slank, tenger. Hij had wondermooie bruine, stralende ogen. Bij intensieve innerlijke activiteit kregen die een groene zweem. Zijn handen waren slank, zijn stem warm,  welluidend, liefdevol. Hij de meest hulpvaardige, ridderlijke mens...' 

En hijzelf? ‘Er is teveel in mij dat vernietigt. Ben ik dan niet genoodzaakt mijn hele leven alleen te zijn? Ik ga door steeds weer nieuwe transformaties heen en moet in woede en hartstocht steeds weer opnieuw alle bindingen verbreken die mij daarin belemmeren. Mijn liefde verwarmt niet, ze brandt. Ik weet dat ik tot het verdoemde en toch zo zalige volk behoor van hen, die met duivelsarmen het licht omhoog tillen. Het is niet de weg van de zonnekinderen...'  

Het verschijnen van zijn voornaamste werk Het stralende hart’ in 1949 riep heftige kritiek op, in het bijzonder van katholieke zijde. Pater Suso Braun zei: ‘Dit boek zou verbrand moeten worden!’ Er vielen oordelen als demonie van onduidelijkheid, begripsverwarring’ en in een kritiek in de pers stond te lezen: ‘Een boek dat op verschillende religieuze gebieden probeert te stropen. Het heeft een sektarisch karakter zonder een eigen standpunt in te nemen. Het is niet duidelijk waar het naartoe wil. Bij het lezen ervan moet men denken aan een woord van Kierkegaard: Hoe minder geest, hoe minder angst’. De hevigste aanvallen kwamen van de kant van de Jezuïeten. Vervolgens is het boek waarschijnlijk op de katholieke Index gekomen en verdween het uit zicht, maar ik weet dat de weinige exemplaren die nog in omloop zijn als een schat gekoesterd worden. Het waren niet weinigen, die hem begrepen en erkenden. De schrijver Emmerich Hirt zei over zijn boek: Er is iets groots gebeurd’, en in het Kulturbericht’ van de Tiroler Landesregierung stond op 28 oktober 1949: Een boek dat geen literatuur of filosofie wil zijn, maar uit schokkende confrontaties met de onzichtbare machten van het leven, uit visioenen en mystieke ervaringen is voortgekomen. Het gaat over God, over het kwaad, over de ziel en het deel dat zij aan beide heeft, over geboorte en wedergeboorte, over vrijheid, leed, verlossing.

Als men het in een categorie zou willen onderbrengen, dan zou men het een plaats tussen theosofie en mystiek moeten toewijzen, het is een gedachtewereld die sterk door Boeddha en christendom beïnvloed is maar in feite toch buiten het christendom staat. Wat het boek een hoge mate van betrokkenheid zal verzekeren is de omstandigheid dat daarachter een kring van mensen staat en dat het uit de uitwisseling van hun innerlijke belevenissen, uit gesprekken en brieven is voortgekomen’. 

Wat zijn astrologische werk betreft wil ik u op zijn minst een grove schets daarvan geven; als u zich er nauwkeuriger mee bezig wilt houden kunt u immers het boek Astrologie’ van Max Prantl bestuderen, het is helemaal niet omvangrijk, maar naar de inhoud gerekend heel kostbaar. Ook zijn astrologische werk neemt evenals al het andere een buitengewone positie in, het valt nergens mee te vergelijken. 

Vehlow’s leerboeken zijn de enige die hij bij mijn weten bestudeerd heeft, maar behalve de equale huizenindeling kan men nauwelijks enige beïnvloeding van deze kant merken. Hij het wezenlijk dus inderdaad alleen uit zijn bovenzinnelijke schouwen verkregen hebben. 

Uitgangspunt is het bewustzijnsbeeld van de mens. Dit is niets anders dan het bovenzinnelijke stralenlichaam van de mens, dat volgens zijn beschrijving ongeveer tot aan de uitgestrekte handen en tot de knieën reikt. De grafische weergave van het geboortebeeld moet men als een loodrechte snede door dit bolvormige stralenlichaam opvatten. Is het niet wonderlijk, dat wij onze horoscoop als een zielenfirmament letterlijk met ons meedragen?! Ik herinner mij op dit punt, dat reeds Reichenbach melding maakte van het feit dat de menselijke aura door twaalf kleurige zones omgeven wordt, wat het beeld van Prantl lijkt te onderstrepen. Het overigens niet benoemde midden van de horoscoop is hier het bewustzijnscentrum, met daar boven de ruimte van het bewustzijn van de geest en er onder de zetel van het onderbewustzijn. Het overeenstemmende beeld van het hogere zelf in de uiterlijke wereld is hier de zon; de eigenlijke ontwikkelingsrijpheid van de mens is in de horoscoop niet te zien, het meest echter nog, als een soort benadering, in de positie van de maan.

Planetaire relaties

‘Derde en elfde planetaire veld: ‘sextiel’, een afstand van meer dan 45° en minder dan 75°, precieze positie 60°. - Een planeet in het derde veld van een andere of in het derde huis krijgt de mogelijkheid om een ‘verkeersknooppunt’, een middelpunt van betrekkingen en verbindingen naar de aard van de eerste planeet of naar het karakter van het derde huis te worden. - De eerste planeet of de ascendant staat in het elfde veld van de tweede planeet en krijgt ‘zichzelf wegschenkende liefde’ al naargelang de aard van de tweede planeet. Tussen deze twee ontstaat een netwerk (derde veld) van liefdesrelaties (elfde veld), een wederzijds doordringen tot in de uiterste details van het leven.Volgens Prantl staan alle planetaire beginselen steeds met elkaar in een bepaalde betrekkingen, dus niet alleen maar bij nauwkeurige aspecten. Elk van de ons bekende hoofdaspecten heeft bij hem een speelruimte van 15° naar links en naar rechts. Als voorbeeld geef ik u uit zijn boek ‘Astrologie’ de beschrijving van het sextiel. Erg ongewoon is ook zijn stelling, dat planeten zich laten ‘verplanten’ als bomen in een tuin.

Voorbeeld: Mars in het derde veld van Jupiter: De gevechten, uitvallen en veroverende bedoelingen van de eigenaar van het geboortebeeld worden door talrijke inspiraties, intuïtieve inzichten of verstandige adviezen van anderen bevorderd, zeker gesteld. Een goede raadgever in agressieve confrontaties, of hij krijgt daarbij goed advies. Energieke, daadkrachtige mensen schenken de eigenaar van de horoscoop vanwege zijn verstandige inzicht, zijn goedheid, zijn vooruitziende blik hun belangeloze liefde. Belangeloze hulp van energieke daadkrachtige mensen op het gebied van opvoeding, leiding, wereldbeschouwing. Wederzijdse nauwe verbindingen tot een verbintenis van liefde of vriendschap.  (Uit ‘Astrologie’ van Max Prantl - Bietigheim 1967.)

Horoscoop voor planetaire relaties in de voordracht van Dr. Brötz
Horoscoop 5

 

Nu komen we bij het laatste station in Prantls leven, het jaar 1957: Saturnus, die in de radix in het 8e huis staat, komt in de progressieve horoscoop (zie hor. 5 en 6) precies op de Desc – het beeld van afscheid nemen, van scheiding en dood. De transiterende Saturnus komt in conjunctie met de radix-Venus, conjunctie Mars progr. (Venus is geboorteheerser, heer van de Asc) – om slechts enkele van de meest markante eruit te lichten.

‘Hij is erg ziek’, schrijft Elisabeth op 1 april 1953 over haar broer Max. 'Nog maar een schim van een mens. Medisch gesproken is zijn lever volkomen verwoest. Hij ontmoet niemand en schrijft ook aan niemand'. Hij wees ieder medische behandeling af. Zijn isolement werd totaal. Toen zijn boek klaar was, zei hij: 'Ik zal niet lang meer hier zijn'. Daarna veranderde zijn wezen elementair.

Horoscoop over ziekte Prantl in de voordracht van Dr. Brötz
Horoscoop 6

 

Max Prantl, die - bij een bescheiden, terughoudend karakter - een soort onaantastbare soevereiniteit uitstraalde, scheen zijn persoonlijkheid te verliezen. Want in 1952 schrijft hij nog eenmaal aan een vriend: 'Wat u 'Michaël' noemt is er allang niet meer; dat is al naar het eeuwige vaderland teruggekeerd'.

Op 21 februari 1957 stierf Max Prantl, de onbekende mysticus, zonder te klagen, ja zonder überhaupt iets te zeggen. Als doodsoorzaak stelde de arts een maagperforatie en buikvliesontsteking vast. Hij stierf op de drempel van het Watermantijdperk, dat on onstuimiger verandert dan enige tijd  voordien. Max Prantl werd vierenveertig jaar.

Doodshoroscoop 

Wanneer we nu nog naar zijn doodshoroscoop kijken (zie hor. 2), dan wordt met één blik duidelijk dat hier een heel uitzonderlijk leven zijn afsluiting en voleinding kreeg. Wie van u heeft ooit een doodshoroscoop gezien waarin Asc en MC elk met een drakenfiguur in verband staan? Het is het duidelijke beeld van een voleindiger. Asc eind Vissen, Zon in Vissen en in het 12e huis: volkomen ontbinding van alle afhankelijkheden en bindingen, en het opgaan in een andere werkelijkheid. In het bovenpersoonlijke verband van de horoscoop signaleert de Asc op het lentepunt het begin van een nieuw tijdperk. Het MC, dat in iedere horoscoop de betekenis, het einddoel van een persoon of zaak aanduidt, staat precies tussen het Galactische Centrum en de Apex, tussen het centrum van onze Melkweg en het punt waar ons zonnestelsel binnen de galaxie naartoe beweegt – en daarmee zou naar mijn mening zijn leven en werk van centrale, richting gevende betekenis kunnen zijn. De heerser van het MC, Jupiter, staat precies op de Desc, op de JIJ-zijde, en geeft ons het toekomstbeeld van een vrijere, gelukkigere en religieus ingestelde mensheid. Neptunus, eveneens in 7, maakt de grenzen transparant en doet met alles verbonden voelen.

Voor hen die met de Münchner ritmeleer vertrouwd zijn zij nog het 10e septaar aangehaald, dat voor zichzelf spreekt en mijns inziens met niet mis te verstane duidelijkheid laat zien dat Max Prantl werkelijk Michaël of op zijn minst de drager van een michaëlische kracht is geweest.  Waarom? Heel in het algemeen kan men van het radix-MC zeggen dat het in de horoscoop opheldering geeft over de betekenis van de mens als geheel, over datgene wat zich tenslotte uitkristalliseert. Al naargelang het teken en het huis kan ik aan de hand daarvan het eindresultaat of het ontwikkelingsdoel begrijpen.

Nu is er een methode om voor elk van de 11 jaren volgend op de geboorte een solaar op te stellen; samen met de radix levert dat 12 afzonderlijke horoscopen op die de afzonderlijke huizen van de radix beschrijven; het eerste solaar, ‘septaar’ genoemd, geeft dus uitsluitsel over het eerste huis, het tweede over het tweede huis, enzovoort. Men noemt ze ‘septaren’, omdat het trillingshoroscopen zijn, een soort ritmische uitvergroting die nauwkeurigere informatie in de tijd over een fase van 7 geeft. In de radix omvat een huis 7 jaar, in een septaar 7 maanden.

Het 10e septaar nu geeft ons uitsluitsel over de betekenis van Prantl. Astrologisch gezien vertegenwoordigt Saturnus en het 10e huis Michaël, de engel met het zwaard – de wachter op de drempel, die het subjectieve van het bovenpersoonlijke scheidt.

In Prantls 10e septaar nu staat Saturnus precies bovenaan het 10e septaarhuis!!! Zeker, we kunnen maar moeilijk bevatten dat in hem een engel naar ons afgedaald zou zijn, maar in het licht van de getoonde horoscopen kunnen we op zijn minst vermoeden wat voor mysterie zich in zijn leven, of liever: dóór dat leven voltrokken kan hebben. 

Wie kan inschatten wat hij voor de ontwikkeling van de wereld gepresteerd heeft, ja wie kan überhaupt inschatten wat voor heldendaden van zelfoverwinning hier en daar in het verborgene plaats vinden, absoluut niet spectaculair, ongeweten, maar die vele malen meer bewerkstelligen dan het alledaagse gehakketak van de politiek.

Ik geloof echter dat men zulke mensen nooit recht doet wedervaren, als men ondanks de eventuele afstand niet ook de daarachter liggende menselijke, vriendschappelijke nabijheid, de eenvoud en bescheidenheid verstaat, de opoffering die niets meer voor zichzelf wil. Dat onderscheidt hen van de onechte mystici in ivoren torens en de zogenaamde goeroes, die immers meestal niet de vrijheid van de leerling maar de aanbidding van hun eigen persoon willen.

Ter afsluiting van deze voordracht nog één van de latere brieven van Max Prantl aan zijn vriend dr. Paul Bargehr, waarin zijn vriendschappelijke geest bijzonder fraai tot uitdrukking komt en waarin hij nog eenmaal verantwoording van zijn weg aflegt. Deze brief van 15 augustus 1950 zou aan ieder van ons gericht kunnen zijn:

‘Mijn beste Paul, 

Enige tijd geleden schreef ik je: ‘Ik moet nu zwijgen en wachten’. Destijds mocht ik niet méér zeggen. Niemand had zichzelf, zijn diepste wezen kunnen vinden, zolang hij zich aan iets aards vastklampte - en daar hoort ook mijn aardse persoonlijkheid bij. Daarom moest ik allen door te zwijgen en door talloze mislukkingen en aards verkeerde disposities teleurstellen. Ik moest precies zoals Christus zelf een toestand creëren waarin ‘niemand meer wist wat hij met mij aan toe was’, zoals op Witte Donderdag. Ik moest precies zoals Christus van deze aarde weggaan als datgene, wat ik voordien was - in deze tijd schreef ik het vijfde sprookje met de zelfverbranding in de vuurzee - opdat eindelijk allen de mogelijkheid zouden krijgen om zichzelf te vinden en van niets of niemand meer afhankelijk te zijn (‘Als ik niet heenga, kan de Heilige Geest van het ontwaken tot jezelf, overeenkomstig de wil van God, niet naar jullie komen’).

Nu heb je precies als vele anderen die daar rijp voor waren deze weg naar jezelf gevonden. Mijn ‘dwaasheid’ stootte je af en deed je inzien dat inzichtelijk vermogen en geestvermogens jouw innerlijke wezen zijn, van waaruit je wilt en als enige kunt leven. Anderen zullen er andere woorden voor vinden om hun diepste wezen en daarmee hun geloof en hun innerlijk weten aards begrijpelijk te maken. Maar iedereen moet uiteindelijk zelf zijn wezen en het woord daarvoor vinden, anders zou het nog van buitenaf komen en zou hij het niet ten volle kunnen vertrouwen (‘Het rijk der hemelen is binnen in jullie’). Woorden, ook de beste en meest wijze, kunnen er alleen maar naartoe leiden maar zijn het nog niet. 

Daarom moest ik het ook afwijzen om een ander dan een negatief programma op te stellen: het vrij-zijn van iedere angst. Wie dat realiseert is in staat zijn diepste wezen te vinden, en dat is nu bij velen gebeurd. Ook in het dagbewustzijn zullen de laatste resten van angst over enige tijd verdwijnen. Er is heel lang voor nodig geweest en het heeft tot op heden de bitterste gevechten gekost om de onzekerheid en onderworpenheid te breken, die volkomen tegen mijn wil in bij allen zonder uitzondering ten opzichte van mij zijn ontstaan. Er waren vele duizenden nederlagen van mijn kant voor nodig, omdat woorden niets hebben geholpen. Daarom is mijn weg als die van Christus: ‘Overwin door volkomen nederlagen’ - want wij willen niets voor onszelf. Als wij iets voor onszelf wilden, zouden we wel een beter bestaansniveau weten te kiezen dan het aardse, dat wij niet meer nodig hebben.

Wat de ‘innerlijke stem’ betreft: sinds jaren hoor ik elke dag duizenden keren de innerlijke stem (in woorden), en ik volg die alleen voor zover het met mijn diepste gevoel overeenstemt. Het is als een zachte fluistering of lichtende glans achter alle woorden, achter al het zichtbare en hoorbare (ik zeg dit alleen als vergelijking). En mijn diepste gevoel leidt mij evenals Christus ertoe om ter wille van alle anderen al mijn vrijheid en vreugde, succes, waardigheid en genegenheid te laten verwoesten. Want ieder succes van mijn kant zou voor alle onvrije wezens een keten geweest zijn die hen tot onvrijheid, tot onderworpenheid zou dwingen.

Ik herinner je aan de vraag van Christus twintig jaar geleden, waar ik je over vertelde: ‘Wil je van ieder aards geluk en van ieder aards succes afzien om je taak volledig te kunnen uitvoeren?’ Ik heb dat toen beaamd, en ter wille van alle anderen heb ik van het atlasgewicht van dat ‘ja’ geen gram geschonken gekregen.

Hartelijke groeten aan jou en alle vrienden!’



Astrologische weergave van het bewustzijnsbeeld

Astrologische weergave van het bewustzijnsbeeld door Koennecke
(geschetst door A. M. Koennecke)

 

H = hartscentrum (bewustzijnscentrum), 

TBB = brug van het dagbewustzijn,

CSK = bovenste zonnekrachtstroom a en b (geestesether) – bewustzijn van de geest,

USK = onderste zonnekrachtstroom a en b (zielenether) – lager bewustzijn,

TK = dierenriem (zonnekrachtvelden),

TBK = kring van het dagbewustzijn, 

1-12 = horizonhuizen (velden van het dagbewustzijn),

E = imaginaire lijn van de aardas

Viktor Mohr heeft Max Prantl niet alleen persoonlijk goed gekend, maar ook heeft hij hem in zijn tijdschrift 'Mehr Licht' ruimschoots de ruimte gegeven om zijn gedachten en inzichten in de openbaarheid te brengen (wat hem uiteindelijk zijn gehele tijdschrift heeft gekost). Hij was geen 'vereerder' van Max Prantl, alleen herkende hij hem als een werkelijk 'wedergeboren' mens en heeft hij mee willen helpen zijn boodschap te verspreiden. Om dezelfde redenen heeft Viktor Mohr vele jaren zijn beste krachten aan de Lorber-gemeenschap in Bietigheim gewijd, waar hij o.a. een waardevolle medewerker aan het tijdschrift 'Das Wort' (het tijdschrift van de Duitse Lorber-gemeenschap) was. Op die manier verwierf hij zich een diep inzicht in menige 'Nieuwe Openbaring', zowel persoonlijke als algemeen geldige.


In de nu volgende brief, die hij kort voor zijn overlijden schreef, vinden we - in het kort, zogezegd - zijn oordeelsvrije visie op 'verlichting' en wat mensen ermee doen. Hoewel meer dan dertig jaar na zijn dood, zijn deze woorden nog steeds actueel - zoals ze overigens al eeuwenlang actueel zijn geweest en nog lange tijd actueel zullen zijn... Leren wij van iemand, die in staat én gerechtigd tot oordelen was!


 

1 september 1969

 

Beminde mevrouw W.,

 

Verbaas u er niet over dat ik zo snel antwoord! Voor het geestelijke is er altijd tijd, en het gaat bij uw beslissingen ten aanzien van Anni C. gaat het daar om. Ik kan uw standpunt, dat er daar iets verkeerd gaat, alleen maar ten volle delen. U herinnert zich dat ik er in mijn laatste brief sterk op heb aangedrongen om Anni eens een keer uit te nodigen voor een gesprek. Dat kwam uit onbewuste diepten, en die ontmoeting moest en zou er komen - daarom werd Anni ook naar u toe getrokken (en niet naar mij). Michaël bewerkstelligt steeds scheidingen en keuzes, en ook de afwijzing van Anni om met de goede Maria B. te praten is geen toeval - net zo min als het feit dat deze juist verhinderd was om aan het gesprek deel te nemen.

Laat me eerst kort op een paar punten van uw brief ingaan. Anni is zo'n impulsief zielenwezen, dat haar woordenvloed niet alleen u maar ook vele anderen onmiddellijk moe gemaakt of verlamd heeft. Daarbij komt nog haar onduidelijke spraak, die moeilijk te volgen is. Maar daar kan ze niets aan doen, tenslotte; iedereen heeft zijn eigen aard. Pas toen ze concreet terzake kwam, wekte haar mentaliteit terecht uw bedenkingen. U schrijft: 'Ik verzette me tegen Anni' - en het was uw gevoel voor echt en onecht, voor waarheid of dwaling, dat dat deed.


Anni schijnt geruime tijd in Zwitserland bij een gemeenschap (zeg maar: sekte) gezeten te hebben, die de Onzichtbare Orde van Michaël - die een werk van de geestelijke wereld is - op het aardse vlak tot een organisatie van 'gelijkgestemden' misvormt. Ongeveer een ½ jaar geleden schreef ze mij eens, dat deze idee van Max reeds in aardse zin vorm had gekregen en dat in Zwitserland de kern van de Onzichtbare Orde zich al had gevormd. Deze gemeenschap zou ook (langs mediamieke weg) geestelijke boodschappen ontvangen en met de UFO-beweging (vliegende schotels) contact hebben! En wat ik daarvan dacht. Wel, mijn antwoord liet aan duidelijkheid niets te wensen over, en sindsdien zwijgt ze tegenover mij in alle talen, hoewel we elkaar sindsdien al twee keer in Bietigheim hebben ontmoet. Schijnbaar heeft het dus niets uitgehaald. De huidige tegenwerping van Anni, dat deze Zwitserse orde (waarvan ik de naam niet ken) toch ‚onzichtbaar' is omdat men er geen insigne draagt, zou amusant zijn, als die niet haar volslagen onbegrip zou onthullen.


Uw tegenwerping, lieve mevrouw W., dat een schriftelijke verklaring tegen alcohol en nicotine een opgelegde dwang zou betekenen, is absoluut juist, aangezien een dergelijke verklaring een vrije keuze uitsluit. En de opvatting van die sekte, dat Jezus Christus alleen maar 'nepwijn' gedronken zou hebben, is net zo'n vervalsing van de waarheid als de boude bewering van enkele vegetarische sekten, dat Jezus Christus nooit vlees zou hebben gegeten en dat het lam enkel een bijbels symbool zou zijn (nog afgezien van het feit dat men het hemelrijk niet met een dergelijke onthouding vanuit de lichamelijke wereld kan veroveren, maar dat eenmaal de geestelijke wereld ook het aardse zal doordringen en daardoor dan veel zal veranderen).


Anni heeft aan u haar slangendroom niet zo volledig verteld als aan mij. Haar visioen was als volgt: Satana, de slang, vroeg Anni om hem niet te haten. Als teken daarvan, en omdat hij naar eigen zeggen honger had, vroeg hij om wat melk. Daarop legde Anni de slang aan haar borst om hem te zogen, maar daarbij moest ze beleven dat de slang haar in de borst beet, waardoor er een paar bloeddruppels opwelden, zodat ze de slang van zich af slingerde.
Desondanks beweert Anni dat Satana haar enkel zou moeten dienen, omdat zij als 'duaal' van Max/Michaël door zijn Blauwe Vuur beschermd zou zijn. Nu, als dat maar niet verkeerd afloopt... Overigens kan ik u bevestigen, dat Max ook tegenover mij verklaard heeft dat er op aarde geen 'duaal' voor hem bestond; zijn geestelijke 'duaal' was volgens hem de Wereldziel zelf. Het zou te ver voeren om de ellenlange debatten te beschrijven die ik dikwijls met haar heb gehad, en die steeds weer stukliepen op het feit dat zij voor geen enkele logica (ook niet van hoger geestelijke aard) toegankelijk is. Maar dat is bij de meeste vrouwen met een zo sterk gevoelsmatig karakter het geval; maar toch niet bij allemaal, want echt licht vanuit het hart moet ook het denken verlichten - en doet dat ook.


Maar Anni heeft ook heel goede kanten: ze is menslievend, vrijgevig tot zelfopoffering toe, een voorbeeld van goedheid als verpleegster, en steeds als ik met harde kritiek kwam wist zij de negatieve vibraties te verzachten en vroeg ze om begrip voor haar medemensen (met haar geliefde uitspraak: 'Ik laat de duivel niks verdienen' probeert ze iedere negatieve gedachte als schadelijk en levensvijandig af te weren).


Samenvattend: ik ben bijzonder veel aan Anni verplicht en ken niet alleen haar goede maar ook haar zwakke kanten. Ze heeft echter een sterk mediamieke aanleg en haar ervaringen zouden haar wel eens een schijnwereld binnengeleid kunnen hebben, van waaruit inderdaad gevaarlijke aanvallen van de tegenpartij plaats schijnen te vinden. Misschien heeft ze dikwijls astrale ervaringen voor geestelijke waarheden gehouden, maar toch geloof ik nog steeds niet dat ze bewust de tegenstelling van de Oneindige Liefde dient. Zou dat echter wel het geval zijn, dan zou zich dat nu spoedig openbaren, aangezien Michaël hierbij aan het werk is. Laten we dus ondanks haar afwijzing voor haar bidden.
Lieve mevrouw W., u brengt op de een of andere manier mijn toestand ook in verband met de invloed van Anni. Daar zou in algemene zin iets waars in kunnen steken, maar er dient speciaal op het woordje 'ook' gelet worden. Want voor mij is het duidelijk dat ik mij door mijn opkomen voor de waarheid - al bijna twintig jaar, door mijn schrijversactiviteiten - niet weinig astraal gespuis op de hals heb gehaald. Mijn geestelijke bewustzijn is daarbij onaantastbaar, maar op het vlak van het lichaam en de lichaamsziel hebben ze door mijn onvolmaaktheid ruimschoots voldoende aangrijpingspunten. Hoe ze dat doen, kan men uit 'Het stralende hart' leren.


En evenals het huidige gedrag van Anni mij teleurstelt, zo drukt ook de verkeerde houding van zoveel 'geestelijke' mensen die ik in mijn leven heb leren kennen psychisch zwaar op mij: mannen en vrouwen die het licht van de Waarheid hebben ontvangen - hetzij door Lorber, door Max of door anderen - en die desondanks terugzakken, het opgeven en zich niet willen laten opheffen. Een verblinding die ondoordringbaar lijkt te zijn en het leed van de hele wereld teweegbrengt. Wanneer ik aan boek 2 en 8 van de Onzichtbare Orde denk, dan kan ik enigszins begrijpen wat er in Max moet zijn omgegaan. Maar aan de andere kant zijn er ook weer mensen in wie de trouw aan Michaël onwrikbaar blijkt te zijn en die iemand zijn wankelende geloof weer teruggeven. Dat ik u daartoe mag rekenen geeft mij bijzonder veel vreugde, want uit uw instelling ten opzichte van de geestelijke nalatenschap van Max blijkt overduidelijk meer dan de liefde van een zuster. Dezelfde geest bezielde vroeger dr. Bargehr, en tegenwoordig bewijst iedere brief van M. B. en H. H. mij, dat een uitgestrooid geesteszaadje niet alleen maar op doornen valt, maar in vruchtbare aarde ontkiemt en tot vrucht rijpt. Misschien zijn er nog wel meer, maar ik ken alleen deze mensen.


Ook in kringen van de Lorbergemeenschap heb ik maar heel weinig mensen gevonden, wier ziel een afglans van het ontvangen Godslicht weerspiegelt. In de uitgeverij heerst enkel een geest van zakelijkheid, voornamelijk gestimuleerd door de oude Zluhan. De opvoeding van kinderen is verkeerd en gebouwd op een verheven levensstandaard. Binnen de kringen heerst een dogmatisch Lorberdom, veel gekeuvel over liefde en weinig daden (een uitzondering is de gemeente in See met als leider Erwin Zitta: dienst aan kinderen en ouderen). En op veel plaatsen kringen waarvan in het middelpunt niet God maar een 'Vadermedium' staat, dat valse Innerlijke Woorden uitkraamt.
Herinnert u zich nog die rondtrekkende spreker Harald Stößl, die in het voorjaar ook u voor een reis naar de Großglockner had uitnodigde? De uitgeverij wilde met hem in zee gaan, waar ik dringend tegen gewaarschuwd heb. Nu zijn ook de Zluhans tot het inzicht gekomen dat ik gelijk had (zie bijgaande rondzendbrief). Stößl is ook aan een 'Vadermedium' ten prooi gevallen, of gebruikt hij het tot zakelijk voordeel? Hij heeft een 'Lichtkring van Christus' gesticht, die in haar tijdschrift deze 'Vaderwoorden' uitgeeft en via hem voordrachten laat houden. Ik ben zelf echter - vanwege de vrije wil - tegen grootscheepse protesten; ook dwaal- en omwegen hebben hun nut om tot de uiteindelijke keuze te komen. Maar als Lorberbeweging moet men zich daar natuurlijk van distantiëren, om niet met alle anderen op één hoop gegooid te worden.


Het echte Innerlijke Woord is in de geestelijke ontwikkeling van de mens een bekroning. Het is het bewuste ontwaken van de geestmens in de aardemens. Als iemand die op die manier ontwaakt was heb ik in mijn leven echter alleen Max leren kennen. Dit ontwaken verandert ons aardse bestaan echter zo volledig, dat we, wanneer het bestaan niet verandert, ook de conclusie van niet-ontwaakt-zijn mogen trekken. En deze afwezigheid van verandering heb ik moeten constateren bij alle 'Vadermediums', waar ik in de vele tientallen jaren mee te maken heb gehad. Het feit dat ik ze niet erkende heeft steeds meer de haat van de figuren achter de schermen naar mij toe getrokken, die deze kletsmajoors vanuit de zielenwereld inspireerden. Nu zult u ook begrijpen dat mijn astma psychische oorzaken heeft en door geen enkel medicijn te genezen is, maar alleen door die Geest, die Heer is over de geesten. Anders gezegd: door de geesteswil, wanneer de geestesziel zich in onvoorwaardelijk vertrouwen zonder meer aan zijn leiding toevertrouwt. Een paar gedichten van Max brengen dit op wonderbaarlijke wijze tot uitdrukking.


Ondanks mijn kwellende zorg - ontstaan door de twijfel, of ik mijn werk überhaupt juist en zinvol was - wil ik toch nog verder meewerken aan 'Das Wort', zolang mijn krachten het toelaten. Als de geest het niet wil, dan wordt de kracht daarvoor mij sowieso wel ontnomen. Vanaf de 15e van deze maand wil ik voor een paar weken naar Bietigheim reizen; misschien dat daar e.e.a. weer in het rechte spoor gebracht kan worden. Dat Anni mij zou hebben afgeraden om het drukken van een derde boek van Max voor te stellen, klopt niet; daar is niet over gesproken. Overigens ben ik heel nieuwsgierig naar een volgende ontmoeting met Anni, nl. of ze ook bij mij met haar huidige ideeën aankomt? Wel, ook ik kan in de zielengestalte (niet de geestesgestalte!) van een officier verschijnen en een krachtig commandowoordje spreken, mocht het nodig zijn.


Aan mevrouw B., die ik hartelijk laat groeten, kunt u mijn brief rustig laten lezen. Zij is torenhoog verheven boven de verdenking, dat ze teleurgesteld is wanneer ik u deze lange brief schreef en haar maar kort antwoordde. Zodra een dergelijk fundamenteel probleem als het huidige haar bezighoudt, zou ik haar even uitvoerig mijn opvatting meedelen - zonder ooit mijn briefpartner tot dezelfde visie op de dingen te willen bewegen of zelfs dwingen. In ieder geval heb ik van u beiden al heel veel kunnen leren.

 

En daarvoor dankt, met lieve hartsgroeten,

uw Viktor Mohr.


(overleden op zondag 28 december1969 in zijn 73e levensjaar)

door dr. Karl Gustav Bitter
in het tijdschrift ‘Mensch und Schicksal’, januari 1950

Schilderij van Madonna met rozen door Max Prantl

Toen 490 jaar geleden (zo vertelt de ‘Chymische Hochzeit’) Christian Rosencreutz de wonderbaarlijke uitnodiging tot het grote werk had ontvangen, zag hij vier wegen voor zich die naar het doel leidden. Een korte maar gevaarlijke, die door rotsachtig land loopt; een langere, die weliswaar naar omwegen maar niet naar dwaalwegen leidt, die vlak en gemakkelijk is wanneer men met behulp van een magneet niet naar links en niet naar rechts afwijkt; de derde is de werkelijk koninklijke weg, die kostbare winst brengt en een wonderbaarlijk zicht geeft maar nauwelijks een op de duizend valt deze weg ten deel. De vierde weg kan door niemand gegaan worden, die nog een aards lichaam bezit. Hij is met ‘vuur en rook’ omgeven, zodat niemand het zou mogen wagen deze te naderen. Wie dus ‘ter bruiloft’ wil gaan, moet voor één van de drie wegen kiezen. Maar als hij gekozen heeft, dan moet hij op de gekozen weg blijven, kan die niet meer veranderen.

Ik was een jonge dromer, toen ik dit bijzondere geschrift voor de eerste keer las. En ik heb mij er destijds het is meer dan dertig jaar geleden erg over verbaasd. En ik heb er veel, veel over nagedacht hoe het te begrijpen is, dat iemand die tot de ‘Chymische Hochzeit’ geroepen is een definitieve, onherroepelijke beslissing moet nemen bij het kiezen van zijn weg. Tegenwoordig verbaas ik me er niet meer over. Want nu ken ik de grens, die tussen de op ieder moment te herroepen voor-beslissingen van de dromende mens en de onherroepelijke, definitieve keuze van de ontwaakte mens ligt. Die grens, die wij allemaal elke morgen symbolisch ervaren c.q. van tevoren voelen, wanneer wij uit de droom van de nacht tot het licht van de dag ontwaken.

Reeds lang ken ik het geheim van de vier wegen. Maar pas Max Prantl kon het zeggen. Wat dit kunnen-zeggen van wat tot nu toe onuitsprekelijk was voor de geestelijke ontwikkeling van de mensheid betekent, wat het met name voor de beslissende strijd tussen ‘wit’ en ‘zwart’ betekent dat in te schatten kan nog niet onze taak zijn. Daarover zal een geslacht rekenschap afleggen, dat nadenkend op onze tijd terugkijkt; wij zijn echter strijders die vooruit kijken, waarbij ons noodzakelijkerwijze de tijd en bezinning voor een dergelijke reflectie ontbreekt.

Er zijn werkelijk maar vier wegen om geestelijk te ontwaken. En ieder mens komt eenmaal bij de geestelijke drempel van het ontwaken, waar hij ophoudt een ‘natuurlijk mens’, d.w.z. een dromer te zijn de drempel waar hij voorbij de grenzen van het lichamelijke streeft; waar hem een onbedrieglijk weten tegemoet waait, dat de goddelijke wereld is, reëler dan de zintuiglijk-buitenzintuiglijke wereld der verschijnselen. De ‘goddelijke schoonheid’ voldoet hem niet meer als ‘religie’, als verbinding met God. Hij zoekt de verlossing uit de ‘eeuwige’ kringloop van het natuurlijke leven, waar hij genoeg van gekregen heeft. Hij heeft zijn ontwikkeling tot aards-unieke persoonlijkheid voltooid, hij zoekt naar nieuwe oevers, hij zoekt de weg naar ontwikkeling van de bovennatuurlijke persoonlijkheid. Dit zoeken, dit verlangen naar verlossing dankt hij aan de uitstraling van Gautama Boeddha over de hele astrale wereld, of hij deze ‘genade’, dit mysterieuze ontvankelijk worden voor het eeuwige nu bewust met de naam Boeddha verbindt of niet.

Gautama de verlichte, de Boeddha, toonde voor het eerst het doel van het leven, het doel en de zin van alle reïncarnaties. Voor het bewustzijn van zijn tijdgenoten en allen die later geboren werden en op hetzelfde niveau van ontwikkeling staan, interpreteerde hij de zaligheid van de Eeuwige Zon, haar onverstoorbaar en onverwoestbaar bestaan in de geestelijke wereld als ‘Nirwana’, als ‘Eeuwige Rust’, omdat die immers het einde, het doel van de ziele-ontwikkeling betekent.

Wie de weg van Gautama Boeddha, de eigenlijke weg van verlossing ten einde gaat, zonder zich na verlichting door de kracht van Boeddha naar Christus te wenden, wordt een unieke geestelijke persoonlijkheid, een Eeuwige Zon, eeuwig zalig in zichzelf als twee-eenheid van wil en geestesziel, verbonden met al het goddelijke, maar zonder het vermogen om God en zichzelf te kennen. Gods liefde draagt hem evenals alle lichte geesten, hij zweeft in de zonnenzee van HET, de Oneindige Liefde als een sluimerend kind dat nog niets van vader en moeder weet (Nirwana, dromende eeuwige zaligheid in de goddelijke zonnenzee). Dit doel stemt overeen met de goddelijk wil van veel kinderen van de Oneindige Liefde en daarmee stemt het ook overeen met de wil van God zelf.

De straling van Gautama Boeddha opent echter ook de harten voor een andere leider en vormgever van de zielenwereld, voor een weg van verdere ontwikkeling. Zonder verlichting tot de eeuwige geestelijke wereld door Gautama Boeddha (dikwijls gebeurt dit in een vroeger leven) is er geen begrip voor de leer van Christus. De kracht van Gautama Boeddha is de genade die tot naar Christus leidt. Voor de natuurlijke mens zijn het wezen en de leer van Christus niet te bevatten. Hij kan er niets mee beginnen. Ze blijven een vreemde wereld voor hem. Hoogstens buigt hij zich voor de christelijke leer als een ethisch ordenende macht of omdat zijn omgeving en zijn voorvaderen christenen zijn.

Christus is in zijn aardse werkzaamheid de ster van middernacht, een sterrenzon die de aards wakkere maar geestelijk nog dromende mens door de nacht naar de morgen leidt, naar het vermoedende kennen van God en zichzelf als geestelijk wezen, als kind van de Oneindige Liefde.

Evenals door de verlichtende kracht van Boeddha kan iemand ook door de ontwikkelende kracht van Christus aangeraakt en geadeld worden, zonder dat hij het bewust ervaart en met zijn naam verbindt.

Christus ontwikkelt in de geestelijk nog dromende mens het goddelijke zelfbewustzijn en het vermogen om God te kennen (‘Zonder mij komt niemand tot de Vader’).

De aardse werkzaamheid van Christus duurt evenals die van Gautama Boeddha tot aan het einde van de wereld. Zoals Gautama Boeddha steeds nieuwe geesten naar het Nirwana, naar de dromende eeuwige zaligheid of naar Christus leidt (daarover beslist hun eigen goddelijke wil, die het daarmee overeenstemmende ontwikkelingsdoel kiest), zo leidt Christus steeds nieuwe verlangende zoekers naar de ‘Vader’, naar de eeuwige zaligheid als unieke persoonlijkheden, als Eeuwige Zonnen, met het vermogen om God en zichzelf in vermoedende zin te kennen (deze weg stemt overeen met de goddelijke wil van veel geesten en daarmee ook met de wil van God), of tot aan de drempel van het ontwaken tot zonneklare helderheid, tot het zonneklaar kennen van God en zichzelf (ook daarover beslist hun eigen goddelijke wil). De christelijke mystici hebben deze mogelijkheid van zonneklaar inzicht gekozen en voorbereid. Daarom stonden meer of minder duidelijk naast of enigszins afzijdig van de eigenlijke christelijke leer (met name Meister Eckehart), zonder dat hun weg reeds als een eigen derde mogelijkheid tot eeuwige zaligheid als volledig bewuste geestelijke wezens herkenbaar was.

Dit derde doel van geestelijke ontwikkeling vereist nog één keer een volledige omslag van de tot nu toe heersende innerlijke houding. Het vereist het zelfstandige, alleen aan zichzelf verantwoordelijke bestaan als Eeuwige Zon, evenals het doel van Boeddha en Christus, maar met het volledig bewuste, zonneklare kennen van onze oorsprong en ons zelf; en het is dit kennen, dat pas de onmetelijke, hemelbestormende vreugde der ‘unio mystica’, van de volledig bewuste ontmoeting met God, de Oneindige Liefde, ontsluit.

Schilderij van klooster

Tot hiertoe kan iedereen de woorden van Prantl, die vlak bij de drempel van het geestelijk ontwaken staat, waarschijnlijk wel volgen. Men herkent duidelijk de twee eerste wegen van Christian Rosencreutz; wat in de ‘Chymische Hochzeit’ als eerste weg beschreven wordt is de Boeddha-weg, de tweede niet ongevaarlijke weg die over rotsen en klippen voert is zonder twijfel de weg van het kruis, de weg van Christus. Alleen dogmatische bekrompenheid zal zich eraan storen en de Nirwana-weg niet ook als een weg tot verlossing, tot zaligheid willen erkennen. Ook de weg van de mystiek, de weg van het volledige, laatste ontwaken zal voor iemand die geestelijk niet bekrompen is geldig zijn, ook al heeft hij zelf misschien niet de bedoeling om die te gaan. Dat er drie mogelijkheden tot verlossing zijn, drie wegen die met drie niveaus van innerlijk wakker-zijn overeenstemmen (ook het Boeddha-niveau is, gemeten naar ons aardse, natuurlijke ‘waakbewustzijn’, een oneindig hogere staat van wakker-zijn), valt zonder bijzondere problemen in te zien. Maar wat nu volgt, daaraan moeten de mensen wel aanstoot nemen precies zoals ze tweeduizend jaar geleden aanstoot namen aan dat woord van Christus, dat in Joh. 8: 58 geschreven staat. Want Prantl gaat verder:

‘Deze laatste omslag in geestelijke houding schenkt een nieuwe kracht, mijn kracht van transformatie tot oneindige liefde en vrijheid, van het ontwaken tot zonneklare helderheid. Deze weg is in deze tijd begaanbaar voor allen die hem willen gaan, die hem als het doel van hun geestelijke ontwikkeling herkennen (de christelijke mystici namen de straling van mij als geest nog onbewust op, omdat ik die zelf nog niet tot volle helderheid had ontwikkeld)’.

Wat? Mijn kracht, zegt hij? Ha, ik zie ze voor me, de ontstelden, die in het gunstigste (!) geval medelijden met die arme dwaas hebben, die zich als de aartsengel Michaël beschouwt! Wat een vermetelheid, wat een aanmatiging!

Maar: is het niet vele malen vermeteler, vele malen aanmatigender om over zulke dingen te kletsen als men daar niet door een engelenkracht toe geroepen is, als men alleen maar nakakelt wat anderen, geroepenen en niet-geroepenen, voordien hebben gezegd? Wie over deze dingen wil praten moet de gave der onderscheiding hebben. Anders is hij een bedrieger, in het gunstigste geval een bedrogene. De gave der onderscheiding heeft echter alleen hij, die een onderscheidende geest is. Men wordt geen baanbreker door geografische werken te bestuderen, maar door zelf met bijl en zaag het oerwoud in te gaan. En dat kan alleen degene die ermee om weet te gaan.

En toch zullen juist zij het eerlijkst verontrust zijn, die een bijzonder behagen scheppen in de berichten uit de wereld aan gene zijde, die zwelgen in bovennatuurlijke gezichten en visioenen. alsof een mens die nog op het ontwikkelingsniveau van het natuurlijke dromen staat zulke innerlijke belevenissen zou kunnen hebben! Maar als de auteur van dergelijke subtiele sensaties bescheiden doet en maar een gewoon mens wil zijn, dan gelooft men hem des te eerder. Deze bescheidenheid (Prantl hekelt die terecht als een demonische influistering) mag propagandistisch gezien dan goede werken, maar nuchter bezien is het een onnozelheid. Ieder mens heeft het recht om zich met bovenzinnelijke en bovennatuurlijke vragen bezig te houden, ze ernstig te bestuderen, erover door te denken en ze mee te beleven. Maar wezenlijke en authentieke dingen kan alleen diegene erover zeggen die zulke belevenissen in toestanden van verhoogd bewustzijn heeft, ook als dit hogere bewustzijn niet ononderbroken aanhoudt. Wie echter zijn bovenzinnelijke wijsheid uit boeken haalt of aan het oncontroleerbare gebazel van gehypnotiseerde mediums ontleent, kan niet serieus genomen worden. Het is dus geen aanmatiging, maar moed, als Prantl getuigenis aflegt van de geest, de bovennatuurlijke kracht die uit hem spreekt. En alleen ter wille van hen die nog niet eens dromen zou ik hier willen constateren dat Prantl het niet in zijn hoofd haalt om zijn aardse, lichamelijke persoonlijkheid, zijn aards begrensde bewustzijn van deze zijde met ‘Michaël’ te identificeren. Maar wat hij uitspreekt bedoelt hij zoals Paulus het bedoelde toen hij zei: ‘Weet gij niet dat uw lichamen ledematen van Christus zijn?’ en: ‘Ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij’.

Voor hen echter die nog altijd niet kunnen vatten hoe het bedoeld is, zij hier het woord van de Heer uit Johannes 8: 58 aangehaald, waar de mensen zo ontsteld over raakten: ‘Waarlijk, waarlijk, ik zeg u: eer Abraham was, ben ik!’ Zo sprak Christus tot de Farizeeën, toen ze hem bespotten en dachten dat hij Abraham toch niet gekend kon hebben. En toen reageerden ze geschokt en gooiden stenen naar hem.

Wat heeft Christus destijds gezegd? Eer Abraham was, JHVH! Christus heeft dit JHVH uitgesproken en daarmee diegenen geschokt die dat niet waagden en tot op heden nog niet wagen. Want nog altijd zeggen de rabbijnen, als ze JHVH lezen, niet ‘Jahwe’ maar ‘Adonai’. JHVH echter betekent: IK BEN. Zo staat er in Ex. 3 geschreven dat God in een brandende doornstruik aan zijn profeet is verschenen en tegen hem gezegd heeft: Ik ben de ‘Ik ben’ (JHVH). ‘Zo zult gij tot de zonen Israëls spreken: de ‘Ik ben’ (JHVH) heeft mij tot u gezonden’.

IK BEN wie dit als naam van God begrijpt kan zijn bijzondere zending vanuit een bovennatuurlijke kracht uitdrukken door te zeggen: Ik ben deze kracht, d.w.z. vanuit de Godsnaam JHVH is deze kracht in mij gepersonifieerd. Wie deze dingen evenwel met een ‘wetenschappelijk’ ik-begrip benadert kan het niet begrijpen. Maar zo iemand kan ook niet begrijpen dat een plant ‘wil’, omdat de onbewuste wil van de Levende voor hem onbegrijpelijk blijft, omdat hij het geestelijke enkel als functie van het aardse bewustzijn opvat.

Maar ook dat moet tot innerlijke ervaring worden. Het is ongelooflijk moeilijk om daar enigszins begrijpelijk over te spreken. En alles blijft gelijkenis dat kan echt niet anders zijn. Want hier gaat het om geestelijke dingen, maar de geest is vrij en dus ook niet aan de dwang van de logica onderworpen. Zo bedoelt Prantl het ook als hij aan het slot van zijn boek zegt: ‘Mijn woorden zijn eerlijk en kunnen tot het uiterste serieus genomen worden. Daar sta ik met mijn volle aardse en innerlijke naam voor in.Maar mijn woorden zijn noch waarheid, noch dwaling, noch leugen. Ze zijn een weg tot de waarheid’. Zo zou iedereen moeten spreken die over het onzegbare, over wat innerlijke beleefd werd spreekt.

Schilderij van jonge vrouw

De derde weg (om weer op het thema terug te komen) is de ‘via regia’ van Christian Rosencreutz, de koninklijke weg die destijds voor nauwelijks één op de duizend toegankelijk was. De weg die tegenwoordig voor allen toegankelijk is.

Rest nog de vierde weg, die geen aards mens mag gaan. En toch gaan velen deze weg, die door ‘vuur en rook’ gekenmerkt wordt. Het is de weg van de macht die tegelijkertijd en onontkoombaar de weg van de afvalligheid van God is. Ook daarover spreekt Prantl in zijn boek. Ook deze weg is pas begaanbaar wanneer het geestelijke ontwaken inzet, ook deze weg betreedt de mens door een definitieve en onherroepelijke, maar desondanks vrijwillig besluit. ‘Vanaf dit ogenblik van definitieve keuze roeit hij zelf zijn geweten, zijn hartscentrum uit en daarmee ook zijn goddelijke wil, d.w.z. hij laat zich door zijn ongeleide, vervormde, genot- en heerszuchtige geestesziel ontwrichten en vernietigen.Beter gezegd: de geestesziel ontdoet zich van het goddelijke, dat vervolgens door anderen wordt opgenomen. Alleen aan de ontaarde geestesziel zelf doet het zich als ontwrichting en vernietiging van het goddelijke voor. Ze vernietigt al het goddelijke in haar wezen, de oneindige liefde, waarheid en liefde, en daarmee ook het vermogen om deze te kennen, omdat het goddelijke haar enige streven naar mateloos, begerig genot alleen maar zou belemmeren en omdat het vernietigen van haar goddelijke erfdeel haar het grootste genot verschaft dat een ontaarde geestesziel, een wordende duivel kan beleven’. Een treffender schets van het demonische is nauwelijks denkbaar.

Uit wat hier gezegd is komt een vloed van vragen op. Wat is de wil, wat is een geestesziel, wat is een geest? Dat leze men in het boek. Want dit boek is kostbaar. Men kan het niet ‘be’spreken, men kan het enkel laten spreken. Steeds weer. Tot men de angst heeft overwonnen, waar het tegen strijdt. Nee, dit is geen boekbespreking. Wat ik wilde was alleen maar aantonen hoe een half millennium geleden de vier wegen van de mens waargenomen werden en hoe dit in deze tijd plaatsvindt. Lees dit boek. Dan zullen jullie weten dat jullie ‘Eeuwige Zonnen’ zijn en over deze kennis oneindig deemoedig worden en begrijpen dat iemand alleen maar vanuit oneindige liefde ‘IK BEN’ kan zeggen door welke hemelse kracht hij het ook moge zeggen.

De weg naar het aardse en eeuwige vaderland

Over de bergwand vlamde, naast blauw-donkere schaduwvelden, goudachtig-rood het avondlicht. Over de weidehellingen daaronder lag de eerste zweem van het voorjaar. Lichtgele primula’s en zilveren anemoontjes hieven hun gelaat uit het in de avondwind trillende gras, en vanuit de doornhagen aan de rand van de weiden woei de zachte geur van bloeiende peperboompjes. Met een prikkelende zuiverheid en betoverende zoetheid opende het bergbos zich voor het groeiende zonnejaar.

Winfried, de arts, kwam terug van het bezoeken van zieken naar zijn huis op de helling van de heuvel. Besluiteloos bleef hij bij het hek staan. Hij wierp een blik in zijn verwaarloosde tuin, waar tussen muur en leeuwenbekjes kwijnende hyacinthen en irissen naar het licht drongen, en keek toen over de weiden en stroken bos omhoog naar de bergwand. Een soort onrustige aantrekking overviel hem.

‘De ene dag verloopt voor mij net als de andere’, dacht hij. ‘Ik help bij geboorten, ik vul overlijdenspapieren in, ik verbind wonden en zet botbreuken en verstuikingen, ik span mij in voor geneeslijke en ongeneeslijke ziekten, ik help overal waar en zo goed als ik kan. Maar wat kunnen wij artsen eigenlijk? We zijn blij als we niet onbedoeld een kunstfout maken en moeten voor het overige, ook al geven we het niet graag toe, het meeste laten gaan zoals het gaat. Steeds sterker drukt het vermoeden op mij, dat wij ondanks alle inzichten van onze wetenschap blind zijn geworden voor de werkelijke oorzaken, de redenen voor het gebeuren aan de andere kant van het mechanische en chemische spel aan de oppervlakte.’

Half onbewust rammelde hij aan het gesloten tuinhek en zocht toen in zijn zak naar zijn sleutelbos. Hij haalde hem eruit en woog hem nadenkend in zijn hand. ‘Als ik nu die andere sleutel ook eens zou vinden, de sleutel die voor mij belangrijker is. Overal gesloten deuren, als je meer wilt dan de oppervlakte, die voor de zintuigen begrijpelijke, bedrieglijke bedekking van het leven!’

Weer keek hij omhoog naar de bergwand. ‘Een kwartiertje in het bos, een kwartiertje vrijheid wil ik mijzelf vandaag toestaan om de werkelijke sleutel te zoeken.’

Met langgerekte stappen klom hij bergopwaarts. Bij een bocht van het smalle pad dat tussen de met weiden bedekte hellingen omhoogklom stond hij stil en keek naar beneden het dal in, dat reeds in schemerduister wegzonk. Hier boven echter, waar hij stond uit te blazen, leefde nog de ondergaande zon. Toen had hij plotseling het gevoel dat de blik van een mens op hem rustte. Een waaien van oneindige goedheid, bevrijdend en beschermend tegelijk, drong door tot in zijn hart. Hij draaide zich om. Een stralend, blauw-gouden licht vulde zijn ogen, die zojuist nog op het schaduwachtige leven in het dal hadden gerust. Boven hem, een paar passen boven de weg zat op een steen in de laatste zon een gestalte, een jong meisje in een zomers blauw gewaad. De avondwind speelde met haar als gouden wolken glanzende haar dat tot op haar schouders hing, en met de zoom van haar kleed. Eén harteklop lang keek zij Winfried met een zeldzame kalmte in de ogen, toen liet ze haar blik zakken. Op haar schoot lagen sleutelbloemen en gentianen, sommige hield zij al tot een boeket gerangschikt in haar hand.

Winfried was volkomen in de war. Hij voelde zijn hart als een berg zo zwaar in zijn borst hangen en tegelijkertijd als een vloeiend licht in de verte uitstromen. Toen realiseerde hij zich met een schok dat hij het meisje al enige tijd onafgebroken aan stond te kijken, een eeuwigheid lang, zoals het hem toescheen. Aarzelend draaide hij zich om, om verder te gaan. Zijn blik viel op haar hand die het boeket vasthield. Een smal straaltje bloed sijpelde tussen de vingers tevoorschijn. ‘Bent u gewond?’, vroeg hij. Ze keek op. ‘Het heeft niet veel te betekenen’, zei zij. ‘Ik stond een steen in de weg, die van de wand daar naar beneden rolde. Ach, nu bloedt het weer.’ Ze legde het boeket naast zich op de steen en wilde haar zakdoek om haar hand binden.

‘Laat u dat aan mij over’, vroeg hij. Toen hij de gewonde hand bekeek, schudde hij met zijn hoofd. ‘De wond is niet zo ongevaarlijk’, zei hij, ‘hij loopt door tot aan de vingergewrichten. Gelukkig hebt u uw handen boven uw hoofd gehouden toen u de steen naar beneden hoorde suizen, anders was het nog slechter afgelopen. Maar dit moet goed verbonden worden. U hebt zeker ook veel pijn?’ ‘In het begin heel erg’, gaf ze toe, ‘maar nu niet meer zo.’ ‘U bent heel dapper’, knikte hij, ‘maar komt u alstublieft met mij mee. Ik ben arts, direct daar beneden is mijn huis, daar kan ik het nodige voor de wond doen.’

‘Ik woon hier alleen en mijn assistente en huishoudster is in ieder geval al weggegaan’, zei hij toen hij naast haar het tuinhek opendeed. ‘Maar u hoeft …’ Ze glimlachte. ‘Ik ken u beter dan u zichzelf kent, en eens zult u mij net zo vertrouwen als ik u vertrouw. Kom.’

‘Ik heet Maria’, zei zij toen hij haar hand had verbonden en haar nu onderzoekend aankeek, als wilde hij naar haar naam vragen. Hij vergezelde haar naar buiten tot voor het tuinhek. ‘Mag ik u weerzien’’, vroeg hij ongewoon bedrukt en boog zich ten afscheid over haar rechterhand. Ze antwoordde niet, in haar ogen lag een geheimzinnig licht als van de andere kant van de aarde, een fluoresceren als het blauw van de hemel boven de toppen van bergen. Er was een geruis om hem heen als van stromend water, het vlamde rondom hem als zeeën van vuur, toen hij nu haar nu niet meer menselijke - stem hoorde: ‘Winfried, wij zijn één sinds ondenkbare tijden. Ik zal weerkomen om voor altijd de jouwe te zijn.’

‘Nu heb ik de sleutel gevonden’, zei Winfried zacht tegen zichzelf., toen hij kon denken. ‘De hemelsleutel, de gouden sleutel tot het leven, en alle sleutels in één.’ Hij keek de gestalte na, die als een willekeurig mens daar beneden de schemering in stapte zonder zich nog eenmaal om te draaien.

Hij liep terug naar zijn spreekkamer. Blauw en goud straalde het vanaf een schaal op de verbandtafel: gentianen en sleutelbloemen. Die had ze zonder dat hij het merkte voor hem achtergelaten, als teken van dit uur, waar ook de bloeddruppels naast de schaal toe behoorden. ‘Bloedrood, fluweelblauw en goud, de drieklank van het hart, de fundamentele klank, de dragende kern van het Hogere Leven. Als ‘JIJ’ licht het in mij op en tegelijkertijd als ‘IK’. Hoe gemakkelijk is het nu het juiste te doen, als ik al mijn gevoelens, gedachten en daden aan het stralen van deze dragende kern afmeet, aan de klank van dit onzegbaar zuivere en verheven bruisen. Ik heb de sleutel gevonden’.

In het vroege licht van de Paasdag stond Winfried in zijn tuin. Gedurende de laatste week had hij er in zijn schaarse vrije tijd het onkruid uit gewied. Nu keek hij uit over de armzalige overblijfselen van overvloedig bloeiende planten uit vroeger jaren. De meeste bloemen en struiken waren in de jaren van verwaarlozing verstikt tussen brandnetels en wild woekerend, roofzuchtig en parasiterend onkruid. ‘Hoe heb ik toch zo blind kunnen worden voor alle schoonheid van het leven en mij steeds dieper in het stoffige leven van alledag laten inspinnen? Hoe heb ik innerlijk toch zo eenzaam kunnen willen leven? Zonder mensen die mij innig na stonden, zonder gevoel voor de heerlijkheid van de levende en altijd weer jong wordende wereld, voor zon en ochtendwind, voor de moederlijke teerheid van weiden en bos, voor de verlossende kracht van avondwind en sterrennachten! Ik had me daar toch op zijn minst een paar ogenblikken overdag of ’s nachts voor open moeten stellen’.

Een golf van blijdschap rukte hem weg uit zijn gedachten. Maria stond bij het open tuinhek. Hij leidde haar tussen de kale bloembedden door. ‘Kijk’, zei hij, ‘zo ver ben ik gekomen. Maar nu weet ik niet hoe het op z’n mooist opnieuw in orde gebracht kan worden.’

‘Je hebt gedaan wat nodig was; laat de rest nu aan mij over. Over een jaar moet je mij zeggen of jouw veranderde tuin, die nu nauwelijks meer dan omgewoelde grond en tot bloeien bereid is, jou vreugde schenkt. In mij en door mij zul je eindelijk je aardse en eeuwige thuis vinden.’

Hij hield haar handen in de zijne. ‘Vandaag is het Paaszondag’, zei hij na een poosje, ‘de dag van de opstanding.’

‘Ja. Maar laat hem niet door uiterlijkheden van rituelen en gebruiken, laat hem in je hart leven. En iedere dag en iedere nacht van het jaar moet op de een of andere manier en op enig moment Pasen en Kerstmis voor je zijn: het opkomen van het Innerlijke Licht, van de mystieke roos van het hart uit de winterkou, uit de verstarring, uit de verbittering en de zelfzucht, uit het grijze stof van het leven van alledag. De Oneindige Liefde spreekt door ieder mensenhart, dat zich voor haar wil openen: ‘Iedere dag is mijn dag en ieder uur is mijn uur. Voor mij en voor allen die met mij willen leven bestaan er geen zondagen en werkdagen. Iedere dag is een dag van werken, iedere dag een dag van de zon, van de Innerlijke Zon, van de verheffing van het hart naar mij.

Laat de staat de afwisseling in dagen van uiterlijk werk en uiterlijke rust van het werk regelen. Deze orde behoort tot de uiterlijke wereld. Maar nooit meer moeten er feesten met een religieuze betekenis aan de samenleving worden opgedrongen. Mijn ware vrienden vinden zulke feest-dagen [1] of vrije uren op geen enkele kalender. Ze komen op een bepaald moment geen mens weet ze van tevoren vanuit het hart op. Want de geest waait, waar en wanneer hij wil. Voor de samenleving zal Pasen echter een voorjaarsfeest en Kerstmis het feest van de moederliefde zijn. Het aanbreken van de maand mei en de zonnewende, de vreugde van hoogzomer en de oogsttijd mogen voor hen dan aanleiding zijn tot nog andere feesten waarop iedereen zich blij kan voelen, tot feesten van de aardse wereld waar iedereen vanuit zijn ziel een eigen stempel op zal drukken. Kom nu met me mee; daar boven de weiden op de hellingen wil ik je nog iets zeggen.’

Boven bij de rand van het bos hielden ze hun pas in. ‘Kijk, Winfried, alles rondom is morgenlicht, licht van de eeuwige jeugd. Wat je uiterlijke zintuigen als een gelijkenis aan je tonen, neem dat in je hart als volkomen eigen in je op. Neem zo ook deze voorjaarsdag helemaal in je op een leef hem van nu af aan altijd en overal. Dan heb je meer van Gods wezen begrepen dan je met al je denken ooit zou kunnen uitpiekeren. Beleef de stem, het zachte fluisteren van je hart als jouw geliefde ‘jij’: als het ‘jij’ dat steeds in ogenblikken van innerlijke vereniging tot je eigen ik zal worden. Dan heb je iedere vraag ten aanzien van het ik van de aardse mens opgelost.

Via het ‘JIJ’ leidt de weg naar het ‘IK’, en daar moet je in je aardse omgeving mee beginnen. Als je op dat vlak of ook op het gebied van de aardse arbeid, je beroep al faalt, zul je op alle hogere vlakken eens temeer falen. Wees trouw in het kleine, in het aardse leven van alledag, in je relaties met bevriende en beminde mensen, dan zul je de weg naar het grote, naar het oneindige vinden.

En nu spreek ik helemaal als mens tot jou, als jouw volkomen persoonlijke JIJ vanuit mijn begrensde aardse omhulsel, tot jou als vrouw. Alle mannen en vrouwen die zich innerlijk met mij willen verenigen kunnen in mijn naam hun geliefde JIJ op hun volkomen persoonlijke manier precies als ik vervullen: ik wil voor altijd van jou zijn. Ik wil voor jou een thuis en zaligheid, ik wil voor jou iedere vervulling zijn. Ik wil je dragen en leiden zoals jij mij moet dragen en leiden, ieder op het terrein zoals dat de man of vrouw toegewezen is.

Denk nu niet teveel aan uiterlijke vormen. Ik wil geen algemeen groot feest. Jij en ik zullen alleen zijn in de stilte van jouw huis. Zorg voor twee ringen als enig uiterlijke teken van onze levensgemeenschap, als hulp om trouw te blijven in het leven van alledag. Twee smalle gouden of zilveren ringen met een amethist erin. Het zal avond zijn voor onze harten zal het Kerstmis, een Heilige Avond zijn. Er zal één enkele brandende kaars op tafel staan en je kunt er bloemen bij zetten. En jouw woord en mijn woord, mijn belofte en jouw belofte: altijddurende liefde en trouw. Niets anders. Laat de staat onze levensgemeenschap dan in zijn boeken schrijven. Meer komt de samenleving niet toe. Laat het nu in jou en om je heen ochtend en voorjaar zijn, vanuit de volheid van je hart die geen nacht, geen zomermoeheid, geen herfstverval en geen winterse verstarring kent.’

Winfried stond met zijn vrouw in de behandelkamer. Het spreekuur was juist voorbij en er wachtte vandaag verder geen beroepsmatig werk op hem. ‘Ik weet dat je bedrukt en ontevreden bent, en ik weet ook waarom’, richtte Maria zich tot hem. Hij had zwijgend uit het raam staan kijken. Nu draaide hij zich naar haar om en wees naar zijn geneesmiddelenkast. ‘Die noem ik ‘ut aliquid fiat’: ‘opdat er maar iets gebeurt’. Als de zieken geen druppels of tabletten of injecties krijgen, denken ze dat ze voor niets zijn gekomen. Maar waar komt dat dwaze vertrouwen in deze middelen vandaan, die zo zelden werkelijk kunnen helpen? Om de paar jaar volgt de medische wetenschap een andere mode en de op dat moment heersende moet dan de enig juiste en zaligmakende zijn.'

‘Je zou heel anders kunnen genezen als de mensen niet over het algemeen zo ingesteld waren dat ze alleen aan het tastbare, weegbare en meetbare hun vertrouwen schenken, maar het niet-weegbare, dat in feite het werkzame is, minachten. Voor geen enkele arts die vanuit zijn hart leeft en werkt zouden er ongeneeslijke ziekten, onstilbare pijn en lijden van lichaam en ziel bestaan. De mensen verlangen wat uiterlijk zichtbaar, fysisch of chemisch verklaarbaar en daarom hun vertrouwen waard is. Onbewust verlangen ze dat vrijwel allemaal, ook al lijken ze in hun uiterlijke bewustzijn een andere instelling te hebben. Er rest je voorlopig niets anders dan je aan de op een bepaald moment geldende regels van de medische wetenschap te houden, je geneesmiddelenkast goed op voorraad en je chirurgische instrumentarium scherp te houden.

Daarenboven moet je echter van harte willen helpen, eenvoudig willen helpen en genezen. De zieke die dit innerlijk aanneemt, die jou in het diepst van zijn hart vertrouwt zal genezen worden, ook al zouden honderd professoren het erover eens zijn dat zijn geval hopeloos is. Er bestaan geen materiële grenzen voor de geneeskracht van God, die iedereen vanuit zijn hart werkzaam kan laten zijn. Er bestaat maar één grens voor: de innerlijke bereidheid van de zieke zelf om zijn ziekte met het verborgen lustgevoel daarvan los te laten en genezen te willen worden, tenzij hij die ziekte ter wille van anderen draagt. En deze innerlijke bereidheid kan de zieke alleen maar opbrengen als hij zijn arts volkomen vertrouwt.’

‘Als het mij gelukt was een zieke te genezen had ik zelf al vaak de sterke indruk, ja bijna de overtuiging dat de genezing niet toegeschreven moest worden aan het middel dat ik gebruikte, maar dat ze uit verborgen bronnen voortsproot. Het zorgvuldig kiezen van het middel versterkt misschien enkel het zelfvertrouwen van de arts en het vertrouwen van de zieke in hem, en bevordert langs die eigenaardige omweg de eigenlijke genezing. Daarom zal men, zoals je al zei, aansluitend bij de algemene instelling van de mensen ook aan deze mogelijkheid tot geneeskundige hulp recht moeten doen. Maar hoe moeten we met deze inzichten, die voor bijna iedere arts met enige levenservaring duidelijk worden, de achting voor ons beroep bewaren, die toch nodig is als we überhaupt willen helpen? Eigenlijk is dat, waar ik zojuist bedrukt over was.’

‘Alleen een gezond lichaam kan een thuis zijn voor de ziel. In jouw beroep doe jij het grootste wat mensen voor anderen kunnen doen. Helpen en genezen: het weer opbouwen van een vernield thuis, dat een gelijkenis, een brug naar het eeuwige thuis is.’

Op een avond zal de leraar Ludolf in de woonkamer van het doktershuis. Winfried en Ludolf hadden tot nu toe nog niet goed geweten wat ze met elkaar aan moesten. Nu hadden ze ieder voorzichtig de ziel van de ander proberen te peilen. Maria zat naast hen, als was ze er niet bij betrokken. ‘Hoe bevalt u de wisseling van uw personeel?’, richtte Ludolf zich plotseling tot Winfried. Deze glimlachte: ‘Mijn vroegere assistente deed haar werk echt niet graag en was blij dat ze een aanleiding vond om het op te geven. Mijn vrouw kan het ook onvergelijkelijk veel beter. Vaak heb ik het gevoel dat zij de eigenlijke arts is en ik haar assistent.’

‘Uw vrouw heeft zich beneden in het dorp een uitzonderlijk belangrijke positie verworven. Ernstig zieken en stervenden verlangen naar haar en dan wordt alles gemakkelijk voor hen. En ook bij andere dingen: problemen bij de opvoeding, op het werk, in het huwelijk, met alles komen ze bij haar. Wordt u soms niet jaloers?’

‘Haar vreugde is ook mijn vreugde’, zei Winfried ernstig, ‘en haar lasten zijn mijn lasten’. Overigens heb ik tenminste op één punt een voorsprong op haar, die zij nooit zal inhalen.’ Maria glimlachte. Ludolf vorste echter nieuwsgierig: ‘En wat is dat dan?’ ‘Ik heb een heel bijzondere vrouw!’

‘Het wordt tijd’, zei Maria, ‘dat ik jullie op andere gedachten breng. U, beste Ludolf, bent tot nu toe toch zo ontevreden geweest, evenals Winfried vroeger trouwens. In uw beroep zou u in alle stilte -  veel meer kunnen presteren dan tot nu toe en daarbij desondanks en juist daardoor vrijer en gelukkiger kunnen zijn.’

‘Ach’, zei Ludolf, ‘met wat een enthousiasme begon ik als jongeman aan mijn baan! Maar uiteindelijk sterft iedere bezieling aan de teleurstellingen. Er zijn zo weinig leerlingen bij wie onze inspanningen voor hen lonen. En aan de verbittering over zoveel gebrek aan respect in het beroep en het leven, trouwens in het algemeen in de tredmolen van alledag.’

‘Men zou nooit eerzuchtig moeten zijn’, zei Maria zacht, ‘men zou niet teveel naar de mening van de mensen moeten vragen en men zou nooit moeten willen heersen, beheersen. Vooral dát leidt onvermijdelijk tot teleurstelling, verbittering en tenslotte tot apathie. Een leraar zou als een tuinman moeten zijn, die iedere bloem en iedere boom helpt zich vrij in de zon van het leven te ontplooien en alleen de uitwassen snoeit. Ontwikkelingshulp voor alle jonge mensen, die zich willen laten helpen hen naar zichzelf terug te brengen, naar hun Innerlijke Zon, door zich te binden aan de levenswereld, aan een vriend als voorbereiding op de geslachtelijke liefde en het huwelijk.

Met weinig woorden en door het voorbeeld van de eigen levenshouding kan dat gebeuren, naast dat werk van de leraar, dat als enige door de wereld als belangrijk wordt beschouwd: naast het werken aan de ontwikkeling van het verstand, naast het overbrengen van deels noodzakelijke en deels overbodige kennis. Overal stromen bronnen die u jong en blij kunnen houden: uit vriendschap en liefde, uit de binding aan de levenswereld als geheel en aan sterren, planten en dieren, uit wetenschap, poëzie en beeldende kunsten. U hebt boeken en radio, sterren, bossen en weiden. Hoe kan iemand het presteren om ondanks dat alles oud en lusteloos te worden, gejaagd of ongeïnteresseerd, verbitterd of cynisch? Beste Ludolf, beste dorpsonderwijzer, u hebt evenals mijn man, de plattelandsarts, een gelukkig lot gekozen, dat alleen zwakke, eerzuchtige of trage mensen onbevredigd laat.’

‘Ik zal het ter harte nemen’, zei Ludolf, ‘en dat bedoel ik zoals ik het zeg. Maar ik had verwacht dat u, gezien uw instelling, meer over religieuze dingen tegen mij zou spreken.’

Maria nam zijn handen in de hare. ‘Daar spreek ik toch voortdurend over’, zei zij ernstig. Het zijn de eerste beginselen van het Hogere Leven, die ik u vroeg ter harte te nemen. Wie het in het alledaagse aardse leven, in zijn beroep en in de relaties met zijn naaste vrienden en hen die hem zijn toevertrouwd laat afweten, zal op de hogere niveaus van het leven al helemaal falen. ‘Wees getrouw in het kleine’ en: ‘Werk zolang het dag is!’

Winfried en Maria zaten in hun tuin, tussen bloeiende rozen en jasmijn. ‘Je hebt me eens gezegd’, begon hij na enkele ogenblikken van zwijgen, ‘dat ik mijn hart moet ervaren als de zetel van mijn goddelijke JIJ, dat op momenten dat de geest mij uit het aardse wegvoert tot mijn eigen ik wordt. Dan spreekt God zelf zijn ‘JIJ BENT IK EN IK BEN JIJ’. De bijdrage van de aardse mens aan deze oneindige vervulling van geluk is een onbegrensd vertrouwen in zijn goddelijke ‘jij’, dat in zijn eigen hart leeft en werkzaam is. Door jou, door mijn vertrouwen in jou ervaar ik steeds weer de waarheid van deze woorden. Vroeger dacht ik anders. Toen was mijn hoofd het edelste en belangrijkste orgaan van mijn lichaam. Destijds zocht ik natuurlijk tevergeefs naar de sleutels tot het Hogere Leven en kon niet begrijpen waarom het ondanks alles in mij en om mij heen donker bleef.’

‘Aan de ene kant het hoofd, aan de andere het hart’, zei Maria. ‘Aan deze gespletenheid lijden nog vrijwel alle mensen. Laat me je een anatomische voordracht geven, ja, te midden van deze betoverende bloemenpracht. De voordracht zal heel anders zijn dan je verwacht. Voor de wetenschapper, die tegenwoordig vrijwel uitsluitend zijn stempel op de waardebepalingen van de mensheid drukt, is het hoofd of nauwkeuriger gezegd: vormen de hersenen het edelste orgaan dat het meest aandacht en onderzoek waard is (de mond en de ogen zijn uitdrukkingsorganen van het hart; de ogen en de oren - als organen die indrukken opnemen - dienen evenals de tastzin tegelijk het hoofd en het hart).

Het hart is voor hem niets meer dan een holle spier, waarvan de activiteit door de hersenen gestuurd wordt. Wat het fysiek-lichamelijke gebied betreft heeft hij gelijk. Op het vlak van de ziel, waar toch ook de wetenschapper zijn zieleleven, zijn vermogen om te voelen, te denken, te spreken en te handelen aan te danken heeft, liggen de verhoudingen andersom. Het bovennatuurlijke orgaan van het hartscentrum, dat zijn zetel heeft in het lichamelijke hart en de kring daar omheen waar het lichamelijke hart dus de fysieke uitdrukking van is overtreft qua verfijndheid en grote verscheidenheid oneindig ver de meest ontwikkelde hersenen met hun dagbewuste zielegebied. Maar waarom is de fysieke analogie van het wonderrijk van het hartscentrum nu een eenvoudige holle spier, weliswaar zinvol gebouwd maar ten opzichte van de hersenen bijna armzalig aandoend?

Had het lichamelijke hart ook maar bij benadering zo’n kostbare fysieke vorm als de hersenen en ook dan zou het nog lang geen werkelijke analogie van het wonder van het hartscentrum zijn dan zou het nog geen vijf minuten lang zijn diensten aan het gehele lichaam en ook aan de hersenen kunnen bewijzen. Want de mensen duwen alles wat hun bewustzijn tegenstaat, alles wat aan het leven vijandig is weg uit het gebied van de hersenen en naar het hart toe. Alles wat zij aan aardse gedachten en gevoelens op hun dagbewuste terrein niet willen hebben omdat het hun welbehagen, hun zelfgenoegzaamheid, hun geldingsdrang stoort -  duwen ze naar het gebied van het hart en daarmee naar de bovennatuurlijke niveaus, naar het aardse deel van God. Het is immers zo eenvoudig om anderen voor zich te laten werken en hun dan als dank nog alle door eigen schuld ontstane vergissingen en kwellingen aan te wrijven.

De hersenen zijn niets anders dan een plaats van omvorming en omschakeling, die aan het dagbewuste denken en beleven een onbeduidend partje van de oneindige volheid van het leven schenkt. De hersenen ofwel het verstand (de ratio, de rede) verdienen de bijna mystieke verering niet, die hun door de dwaasheid van de mensen wordt toegekend. Het hart draagt de hele last van het leven van lichaam en ziel en is tevens de bron van de kracht om te denken en te voelen, de bron van iedere vreugde, iedere zaligheid.

Ik geef je opnieuw een sleutel tot de hogere gebieden van het leven: heb je hart lief als je beste vriend, als de moeder die jou draagt en als de vader die jou leidt, als de zetel en de stem van God zelf! Zo zou het hoofd, het dagbewuste aardse ik van de mens tegenover het hart geplaatst moeten zijn. Het hoofd ben jijzelf in aardse zin. Het hart kun jijzelf zijn vanuit jouw eenheid met God. Deze weg naar het geestelijke IK voert echter enkel via het JIJ, via een aardse JIJ, die tot jouw geestelijke JIJ kan worden als je in hem of haar, als een aardse gelijkenis, het oneindige hart van God herkent.

‘Er is een roos ontsprongen uit ene wortelstam’: uit het hart van de aardse mens bloeit als een gestalte de Oneindige Liefde van God op tot aan het hoofd van de mens. Wie hier geen valsemunterswerk wil bedrijven door lood als goud en goud als lood te bestempelen (zo doen veel mensen het in hun zieleleven), wie het leidende en dragende centrum niet ondergeschikt wil maken aan de uitvoerende organen (het zou niemand moeten verbazen als de weg dan naar de afgrond leidt), moet zijn liefde en verering naar de wortel keren en naar de roos die eruit opbloeit, niet naar de doornstruiken van zijn zelfstandig geworden hersenen en de daardoor bedachte ‘wetten van het denken’ en ‘waarschijnlijkheden’.

‘Er is een roos ontsprongen in het midden van de winter’: steeds weer, onoverwinnelijk bloeit het wonderrijk van het hartscentrum, de bloeiende volheid van God, de rozen van de koning en de koningin midden in de vrieskou van het verstarde en al bijna gestorven hart van de mensen, midden in de winternacht van hun zieleleven dat de hersenen tot leider en rechter over het geheel heeft gekozen. Wie daarbij blijft zal voor altijd sterven. Wat het de wereld als geheel betreft en in de mensen van goede wil zal de roos overwinnen over vrieskou en doornranken.’

Winfried kwam samen met Maria thuis van een avondwandeling door het herfstbos. Nog steeds stonden hem de goudrode mantel van de beuken en eiken in de verheerlijking van de zonsondergang voor ogen, de tot terugkeer naar huis aanmanende schaduwen van de schemering en het sterrenkleed boven boomkronen en bergen - een gelijkenis van de eeuwige jeugd van het heelal.

‘Maria’, zei hij zacht, ‘pas door jou kan ik alles wat leeft weer liefhebben, en die liefde wordt steeds mooier en dieper. Nooit waren het bos en de sterrenhemel zo onzegbaar uitgestrekt en vol belofte. En jij zelf, hoe meer ik je vertrouw, wordt steeds meer een lichtblauwe ochtendhemel, het stralen van de zon en een sterrennacht in één.’

‘En toch zit je nog iets dwars, een aards misverstand. Je hebt het mij nooit willen zeggen. Maar ik weet het achter alle woorden, evenals al het andere waar ik later over zal spreken:

Waarom is het aardse geslachtsleven niet in alles even rein en onaanvechtbaar als de zonsopgang en de sterrenhemel? Waarom zijn de organen van voortplanting en ontvangenis niet even mooi als het oog en de mond? Ze zouden het kunnen zijn. Het hele menselijke lichaam zou in een verheerlijkte schoonheid kunnen oplichten, doorzichtig rein als een rozenblaadje. De mensheid als geheel echter en in zijn onderbewustzijn is niemand daar vrij van heeft altijd angst gehad voor de geheimen van het leven, met name voor het gebied van het ontstaan van nieuw leven. Haar antwoord op deze angst, op dit gebrek aan vertrouwen tegenover de Schepper van de wereld was de zucht om het levende te ontwaarden, het zoveel mogelijk betwistbaar, ja belachelijk te maken, om ondanks deze angst zonder ergens rekening mee te hoeven houden te kunnen genieten en zich uit te kunnen leven.

In overeenstemming met deze instelling gaf de verder ontwikkelde levenswereld tot aan de mens toe haar fysiek-lichamelijke verschijningsvorm in verregaande mate een ander aanzien, met name op het vlak van de uitscheidings- en geslachtsorganen. De goddelijke leiding over de wereld beperkte echter het effect van deze wil om te ontwaarden, om naar de materiële wereld neer te halen. Reeds in het etherlichaam, dat met de kringloop van het levende bloed overeenkomt, dus op het laagste bovennatuurlijke vlak stralen de organen van het lichaam zonder uitzondering met een onaantastbare reinheid. Dat zou voor de beleving van de ziel, waarvoor het etherlichaam en niet het materiële lichaam maatgevend is, ruimschoots voldoende moeten zijn om alle gedachten aan een gebrek aan innerlijke schoonheid of reinheid met name wat de organen voor verwekking en ontvangenis betreft als onwaar opzij te zetten.

Wie wil ontwaarden, neerhalen of minderwaardig wil maken moet zijn beleven, denken en handelen tot de uiterlijke, materiële wereld beperken. Hij ziet en kent niets anders meer. Wie echter zijn lichaam als een tempel van zijn hart en van het Eeuwige Licht daarin beaamt, zal de illusie van de materiële, grof-lichamelijke verschijningsvorm evenwel niet ontkennen. Hij zal echter inzien dat het onwezenlijk is ten opzichte van het stralend reine innerlijke leven, dat de mensen van goede wil ook vanuit de uiterlijke lichamelijke verschijningsvorm als een vermoeden van onaantastbare schoonheid tegemoet straalt. Hij houdt ook zijn materiële lichaam schoon, goed in vorm en zuiver. Al het overige, dat momenteel niet in zijn macht is gegeven, herkent hij als niet wezenlijk vergeleken bij het vermoeden of de zekerheid van het Hogere Leven in hem, die door geen enkele vervorming of ontwaarding geraakt kan worden.

En nog één ding: jij, Winfried, hebt altijd vanuit het inzicht van je hart zo geleefd. De geslachtelijke liefde met haar lichamelijke belevingen is alleen zuiver, als de man de door hem beminde vrouw in de grote storm van het bloed tegelijkertijd als een bergend thuis ervaart een thuis dat zichzelf wil schenken, maar niet met grove of wellustige begeerte bedwongen wil worden. De vrouw voorzover ze innerlijk vrouw is en niet op een mannelijke manier begerig en eisend is geworden zal reeds vanuit haar innerlijke wezen alleen zó’n instelling van de man en zichzelf kunnen beamen, evenals ook God alleen deze liefde zegent. Laat wie dat wil, anders zijn. Daarmee verwijdert hij zich van de goddelijke liefde.  Terugkeren kan hij op ieder moment.  Alleen een huichelaar is voor altijd van het innerlijke gebied van het leven uitgesloten en leeft samen met zijn materiële lichaam tevens zijn innerlijke leven definitief ten einde.

Veilig dragende schoot en thuis: als twee geliefden dat beamen, groeit hun liefde van het laagste niveau van het leven op naar het hoogste en zal de innerlijke roos van hun hart haar blaadjes niet verliezen.’

Op een avond kwam Winfried bedrukt thuis van een ziekenbezoek. ‘Maria, je hebt me terecht gezegd: ‘Heb je hart lief als je beste vriend’… Dat is inderdaad een sleutel tot het Hogere Leven. En ik heb steeds overtuigender ervaren: hart, thuis, geheim, eeuwige lente, Innerlijke Zon, Eeuwig Licht horen bij elkaar. Men moet alleen de moed opbrengen om de zelfzucht, het kille wantrouwen, de neiging om te twijfelen tegenover het Hogere Leven aan gene zijde van de uiterlijke zintuiglijke ervaringen te overwinnen en de zelfgerechtigheid, de zelfstandigheid van de hersensfeer als schijn te erkennen. Steeds wijder, dieper en stralender wordt het leven dan. En het wordt tot een innerlijke zekerheid: midden in mijn borst, in mijn voor al het lage ontoegankelijke licht leeft en werkt mijn eeuwige JIJ, jijzelf, als oneindigheid. Jij staat naast mij in de gedaante van een mens en leeft in mij als de dragende en leidende macht van mijzelf en het geheel. Een vermoeden van deze beleving zou iedere man en vrouw kunnen ervaren, wanneer ze tot hun geliefde zeggen: ‘Jij, mijn ziel, jij, mijn hart…’.

Dan groeit dit ‘jij’ boven de menselijke begrensdheid uit en licht jijzelf in hen op.

Maar ik ben bedrukt om een andere reden. Ik was zojuist bij een zieke vrouw met een ernstige beschadiging van de hartspier. Hoe moet ik deze zieke genezen van haar schijnbaar gegronde wantrouwen tegenover haar beste vriend, tegenover haar hart?’

‘Ik heb toch niet gezegd: heb je hartspier lief als je beste vriend. Het fysieke hart is immers alleen maar het instrument van de Grote Vriend, waarmee deze in het lichaam werkzaam is zolang en voorzover de mens het zelf mogelijk maakt. Deze zieke vrouw beschadigt door haar angst, haar geprikkelde opwinding en uit zwakte voortkomende wantrouwen tegenover de bron van het leven constant het fundament van haar aardse leven, dat zij aan de andere kant zó hoog waardeert, dat ze voortdurend in angst daarom leeft.

Heel veel mensen brengen de dragende pijlers van hun aardse huis zonder onderbreking aan het wankelen en ondermijnen ze. En dan verbazen ze zich nog en klagen God en de wereld aan wanneer het bouwwerk wankelt en driegt in te storten. Niet het zieke hart, de zieke hartspier of zelfs het bovennatuurlijke hartscentrum brengt het vergif van de angst voort dat tot zelfvernietiging leidt iedere angst stamt uit de sfeer van de hersenen maar de mens dringt zijn verkeerde instellingen, de giftige walm van zijn bewuste denken en voelen aan zijn hart op. Geen enkele wond geneest als die voortdurend weer opengetrokken en verontreinigd wordt. Of nu de hartspier of de hartkleppen, het zenuwsysteem of iets anders op het gebied van het hart beschadigd zijn: dat zal allemaal weer hersteld worden in precies die mate waarin de mens de grote JIJ in zijn hartscentrum vertrouwt. Want God dringt zich niet op. God werkt alleen als de mens er ‘ja’ op zegt!’

Winfried zei peinzend: ‘Ik zie dat zelf steeds duidelijker. Heel veel mensen zeggen tegen hun arts of in hun innerlijk leven tot God: Genees me, maar laat mij mijn slechte gewoonten. Laat mij doorgaan met vergif te denken en te voelen, laat mij doorgaan met door mijn leefwijze in denken, voelen en handelen mijn ziel en mijn lichaam te verwoesten, want dat schenkt mij groot genot. Alleen wil ik niet ziek zijn. Het is alsof iemand zou zeggen: ik wil moorden, maar mijn slachtoffer moet zich desondanks in zijn aardse leven kunnen verheugen. Of: ik wil mijn huis stukje bij beetje afbreken en toch veilig voor storm en regen in dit huis blijven wonen.’

‘Ja, zo is het letterlijk. Velen zouden daarover zeggen: de domheid van de mensen is onuitroeibaar, of: tegen domheid strijden de goden zelf tevergeefs. Maar de goden, de deelkrachten van God strijden niet tegen de domheid. Als ze dat zouden doen zou het inderdaad tevergeefs zijn. Want domheid is geen vijand, het is alleen maar een masker waarachter zich de eigenlijke vijand verbergt: de lafheid, het moedwillige niet-willen-zien van een waarheid. Aan ieder wezen is genoeg inzicht meegegeven om op zijn plaats het juiste te kunnen doen. Als het de verkeerde plaats kiest of op zijn juiste plaats het verkeerde doet, mag het niet de domheid maar zijn lafheid, zijn moedwillige blindheid en doofheid tegenover de waarheid daar verantwoordelijk voor stellen.

Aan ieder wezen zonder uitzondering wordt in de uiterlijke wereld en ook op de bovennatuurlijke gebieden steeds weer getoond hoe een begin, dat het wezen zich heeft voorgenomen, in de toekomst zal uitwerken. Slechts weinigen laten zich voor verkeerde plannen waarschuwen. Verreweg de meesten zeggen: ‘Wij begrijpen het beter dan jij, wij willen door jou niet gewaarschuwd zijn’. Of: ‘Wat, zou dat verkeerd zijn? We geloven je niet!’. En als hun onderneming dan mislukt is, verstout menigeen zich tot het drieste verwijt: ‘Heer, dat hebben we niet gewild. We wilden wel het huis afbreken, maar het was toch onze wil dat het daarbij helemaal intact en heel moest blijven. Je had ons moeten waarschuwen!’

Dit herhaalt zich vanaf het allereerste begin van de wereld tot nu toe in steeds weer nieuwe vormen. De innerlijke houding van de verblinden is steeds: zowel als ook.  Het ene doen en het andere niet kunnen laten. Haat zaaien en liefde oogsten. Vergif drinken en daarbij gezond blijven. Zichzelf oud maken en daarbij jong blijven. Zichzelf voorliegen en bedriegen en daarbij desondanks in de waarheid leven. Het leven neerhalen en schenden en daarbij desondanks een vriend van God blijven. God, het leven in zijn aardse deel ten dode toe martelen en desondanks naar de hoogten van het goddelijke Leven opstijgen.

Constant wantrouwen, onophoudelijke verwijten, en desondanks altijd weer nieuwe eisen om raad en hulp in het kleinste en het grootste. Een driest beter-willen-weten, hoon afgewisseld met jammerende lafheid en parasiterend vastklampen: dat kenmerkt de innerlijke houding van zeer veel mensen. In deze levenslucht leeft God op de wereld en heeft iedere seconde de gelegenheid om zijn Oneindige Liefde te bewijzen. Maar omdat de mensen deze ‘dwingend’ bewezen willen zien en zich er te dien einde tegen verzetten met hun hoogste wil, waaraan de macht van de Oneindige Liefde zich moet bewijzen als een dwang om goed te zijn, als een heerschappij over de wil van anderen,  kan Gods Oneindige Liefde zich in deze wereld niet doen gevoelen. Want God wil niemand dwingen, God wil niemand onvrij maken. Wie slecht wil zijn, mag en moet het zijn. De wereld loopt hem achterna zolang hij sterk lijkt. Als hij zwak is geworden, omdat hij tegen het eeuwige leven zondigt, werpt de wereld zich op hem hij bezit immers alleen nog maar zijn aardse deel en qua ziel of zelfs geest niets meer en vernietigt hem voor altijd.

In hun houding tegenover hun eigen hart, waar Het Leven, waar God zelf woont en vrijwel overal lijdt (het zou denkbaar zijn dat God zich in hen ook zou kunnen verheugen) geven de mensen blijk van hun keuze. Moeten de hersenen een uitvoerend orgaan of de leider en richter van het geheel zijn? Wie zijn geloof en zijn vertrouwen in de goddelijke waarheid van het ja of nee van zijn hersenverstand zijn ‘ratio’, abusievelijk ‘rede’ genoemd afhankelijk stelt, zal samen met deze hersenen te gronde gaan. Want de hersenen, zijn leider in het aardse leven, verliezen hun vermogen om te rekenen, meten en wegen op de drempel van de aardse dood. Dan is het te laat om naar een betere leider te zoeken. Voor de afgodendienaren van de hersenen is de aardse dood niet de gouden brug naar de hogere gebieden van het leven. Voor hen is hij de afgrond van de volledige vernietiging, de afgrond van het niets dat zij in hun aardse leven dienden.’

De schemering viel in. Het was Kerstavond. Winfried zat bij het raam van zijn werkkamer. Voor hem stond een mand met witte, rode en vioolblauwe hyacinthen, gouden narcissen en tulpen met de kleur van appelbloesem, die zich uit aarde en mos in het zachte schemerlicht ophieven, een voorjaarsachtig stralen in de beginnende winternacht. Zwaar lag buiten in de tuin de sneeuw op struiken en bomen. Winfrieds blik dwaalde over het verborgen leven in de tuin, dan verdiepte hij zich weer in de bloemen.

‘Overal straalt de wereldziel mij tegemoet’, peinsde hij, ‘uit alles wat teer en rein en op de een of andere manier weerloos is. Daarom is de echte, ware vrouw waarschijnlijk ook de kroon der schepping. Hoezeer ik mij nu ook kan verblijden in alle uiterlijke verschijningsvormen van het leven, in kleuren en gestalten, in de vluchtige geur van bloemen en in het schijnsel van het aardse licht, in golven, wind en onweer, winternacht en zomerse zaligheid, toch ben ik dubbel blij te weten dat de eigenlijke schoonheid, het werkelijk grote, onvergankelijke pas aan gene zijde van de uiterlijke vormen leeft; ontoegankelijk, onbereikbaar voor vernedering en vernieling. De eeuwigheid in de tijd, het onvergankelijke midden in het vergankelijke: pas de ziel die dit beleeft en weet, heeft haar eeuwige thuis gevonden.’

Als innerlijk door hem geroepen kwam Maria aanlopen. Hij keek naar haar op. ‘Vandaag, op de Heilige Avond moet ik je opnieuw zeggen hoe anders mijn leven door jou is geworden. Het was een mand met aarde, een zware last en toch arm aan betekenis, zonder inhoud. Nu staat er een overvloed aan bloeiende bloemen boven. Jij, mijn geliefde vrouw en moeder, jij stille, heilige nacht en ochtendgloren, jij voorjaarsadem. En in alle stilte de meest koninklijke leidende macht. JIJ!

Als de mensen eens begrepen wat een ladder naar de hemel dit woord JIJ kan zijn! En de meest eenzame op aarde zou het in zijn hart kunnen vinden. Want JIJ wijst niemand af. Jij gaat samen met je kinderen en voor hen, in hun plaats door alle hellen en zou hen, als ze maar wilden, alle hemelen binnendragen. Jij geheim van het hart, aan wie niets aards vreemd is, voor wie geen last te zwaar, geen weg te ver, geen tijd te lang is. Jij, het hart van alles wat leeft, dat oneindig ver boven alle menselijke, alle aardse begrenzing uit leidt, dat in de man, in de vrouw, in kinderen leeft, in dieren, bomen en bloemen, in water en wind en wolken, in dauw en regen en in de sterren, als ziel van de oneindige wereld.

Stille nacht, heilige nacht, heilige aanvoeling van het oneindige die tot schouwen in de onmetelijke verten, in de oneindige golven van het morgenlicht aan gene zijde wordt. Van binnen, midden in het bruisen, in de zacht stralende vuurstroom van de Oneindige Liefde, in het hart van Maria leven alle mensen en wezens. Ze zien en horen daar niets van, van die heerlijkheid van gene zijde, want de snaren van hun zielen zijn te laag gestemd. Ze vibreren enkel in de stofstormen van de aardse wereld, ze zijn bang voor het ondoorzichtige geheim van de helder zingende en stralende hemelse stromen. Ze zijn bang voor het stormachtige verlangen, dat hen zou doen opbruisen en jubelen in het licht van gene zijde, midden uit het aardse leven van alledag.’

Winfried stond met Maria aan de voet van de rotswand boven de beboste helling en keek neer in het dal. ‘Wie het levende, de eigenlijke waarheid achter de vaak bedrieglijke schijn van de aardse wereld ziet’, zei hij, ‘kan nooit meer tot wrevel of verbittering, tot haat, woede of wraaklust vervallen. Dat wordt voor hem allemaal onwezenlijk, behorend tot de armzalige oppervlakte. Waarom komt vrijwel niemand meer tot deze blik in de diepten van het leven, het bewuste schouwen van de innerlijke levenssfeer, van de etherische wereld? En de gedachte- en gevoelswereld van alle wezens, van de ziele- of astrale wereld of zelfs van de geestelijke wereld met haar onbevattelijke heerlijkheden, die nog een gestalte hebben en reeds tot in het eeuwige vuur reiken? Reeds het laagste niveau boven de materiële uiterlijke wereld, de wereld van het innerlijke leven is een onuitputtelijk, steeds weer nieuw en groter wonder.’

‘Jij vraagt waarom?’, zei Maria. ‘Je hebt deze vraag zelf al beantwoord. Omdat haat, woede, wraakzucht, eerzucht, heerszucht, bezitsdrang, de zucht tot kwellen, bedrog en leugen dan onwezenlijk zouden worden. Al deze dampen van de hel, van de meest primitieve zelfzucht tot aan de duivels berekende wreedheid zouden verwaaien en oplossen tegenover de onmetelijke vreugde, die het schouwen in de innerlijke wonderen van het leven op alle niveaus tot aan het hoogste biedt. Wie werkelijk helder kan zien, horen en voelen staat voor het aangezicht van de waarheid, die tegelijkertijd oneindige schoonheid en oneindige liefde is. Al het onechte in hem, dat hij door de ervaringen van zijn uiterlijke zintuigen en vooral door zijn verstand over het innerlijke wezen van de schepping, over het innerlijke wezen van ziel, geest en God in elkaar geflanst heeft en vasthoudt, zou in het aangezicht van de waarheid in één grote vlam moeten verbranden, als een bos stro die in de witte gloed van een hoogoven valt.

Wie anders dan de mens zelf verhindert hem om alles, de hele waarheid te zien? Waarom laat hij zich beheersen door de erbarmelijke angst om het plezier in zijn banale genoegens, zijn gedachtespelletjes, zijn kleine slechtheden, leugens en zelfmisleidingen kwijt te raken, als hij de waarheid wilde zien en zodoende onmetelijk grotere dingen zou winnen? Gebrek aan inzicht, geestelijk onvermogen en domheid buiten zijn schuld? Nee. Zelf gewild gebrek aan moed, gemakzucht, traagheid, lafheid sluiten de oneindigheid van het leven, het uitgroeien boven ruimte en tijd, boven de schijn van maya, boven dood en vergankelijkheid uit voor hem weg.

Geen zelfbedrog, geen truc, geen medialiteit voert tot het werkelijk helder zien, tot het schouwen van de hogere niveaus van de wereld. Alleen hun innerlijke instelling tegenover de waarheid zouden de mensen hoeven veranderen, dan opent zich moeiteloos de poort naar het onmetelijke heelal. Ik heb hun allang de sleutel daartoe in handen gegeven: ik wil de waarheid, hoe die ook moge zijn! Ik wil die zien zonder vooropgezette meningen, zonder de wens of de verwachting dat de waarheid aan mijn instelling tot nu toe moet beantwoorden omdat ik haar anders niet als waarheid erken. Ik wil de waarheid zien zonder de oogkleppen van mijn confessie of wereldbeschouwing tot nu toe en zonder hoe dan ook rekening te houden met het uitgesleten spoor van mijn gewoontedenken en -voelen, waarvan ik toch eerlijk zou moeten toegeven dat ik daar innerlijk allang aan ontgroeid ben. Tot nu toe ben ik echter mijn confessie, mijn wereldbeschouwing, mijn gewoontedenken trouw gebleven, uit ‘piëteit’, uit ‘liefde voor de traditie’, uit ‘achting voor een groot verleden’. Als ik eerlijk wilde zijn zou ik natuurlijk moeten zeggen: uit traagheid van denken, uit angst voor de mensen, uit lafheid om niets meer te willen leren, niet meer anders te kunnen denken, vanuit het misplaatste grondbeginsel dat wat vroeger, duizend of tweeduizend jaar of ook enkele jaren of tientallen jaren geleden gold, ook vandaag moet gelden. Wat ik in mijn jeugd heb geleerd mag voor geen prijs omver geworpen worden. Wat tot nu toe zo goed en zo kwaad als het ging mijn ‘leefregel’, mijn levenssteun was wil ik vasthouden en in geen geval voor iets beters ruilen.

De mensen zouden de waarheid trouw moeten zijn, niet de versleten omhulsels die terwijl ze steeds armer aan inhoud worden de wereld als waarheid worden aangeboden of opgedrongen. Gewoonte, traagheid van denken, lafheid: dit driegesternte verlicht de weg naar de afgrond. Er zijn mensen die liever in vervallen ruïnes huizen dan in menswaardige woningen, want ze zijn aan deze ruïnes gewend. Er zijn dieren die terwijl ze juist bevrijd zijn naar hun brandende stal teruglopen en daarin verbranden. Want ze zijn die stal van oudsher gewend en kunnen zich geen ander onderdak meer voorstellen.

In hun innerlijke leven, waar religie of wereldbeschouwing de uitdrukking van zijn, handelen verreweg de meeste mensen en wezens precies zo. Het is hun grondbeginsel om zo weinig mogelijk van God aan te nemen. Ze willen zich niets laten schenken. Dat verdraagt hun hoogmoed, hun ijdelheid niet. Deze geschenken van het Hogere Leven daarentegen op de een of andere manier te verdienen, is bij hun innerlijke instelling uitzichtloos. Zo klemmen ze zich vast aan alles wat door de goddelijke leiding van de wereld wordt afgewezen omdat het enkel nog een versleten omhulsel zonder inhoud, zonder werkelijke levenswaarde is. En alles waar de mensen zich aan vastklampen willen ze zich voor geen prijs laten ontnemen, ook al is het slechts een strohalm.

God biedt het leven aan in een onbegrensde overvloed, van de aardse tot aan de hoogste geestelijke levenswaarden. Verreweg de meeste mensen en wezens kiezen het ‘niets’, de leegte, dat wat van God verlaten is, wat innerlijk levenloos is geworden; het verstarde, in verval geraakte, gedegenereerde, de innerlijke ouderdom, de lichtloze nacht in plaats van eeuwige jeugd, eeuwige morgenlicht…’

Maria liep door haar tuin. Opnieuw riep de eerste adem van het voorjaar de bomen, struiken en lage gewassen uit hun winterse starheid. Buiten kwam Ludolf de leraar voorbij. Ze riep hem binnen. ‘Ik draag al lange tijd een vraag met me mee’, zei hij, ‘die bij mijn ik moet het toegeven oppervlakkig lezen van de evangeliën bij mij is blijven hangen. Wat is mammon?’

‘Mammon is alles wat in de ogen van de wereld macht, heerschappij betekent. Geld, ieder soort aards bezit, weten en kunnen, een ambtenarenfunctie, de positie binnen een aardse of aan gene zijde gedachte geestelijke hiërarchie, sleutelposities, alle soorten machtsposities kunnen tot ‘mammon’, tot afgod van de heerszucht worden. Nooit zijn het de dingen of feitelijke omstandigheden als zodanig. Ze kunnen goed of slecht gebruikt worden. Pas het eraan hechten, het verhogen ervan tot een bepalende levenswaarde waaraan al het andere, ook het geweten, de eerlijkheid, de goedheid, de liefde zich ondergeschikt moet maken, maakt ze tot mammon, tot de duivelse tegenstander van het leven.

Wie eerlijk wil zijn en zijn krachten niet zinloos wil verspillen, moet niet tegen geld of goud, bezit en macht als zodanig strijden. Laat hij strijden tegen het verkeerde gebruik, het misbruik van aardse of aards-geestelijke goederen. Armoede is op zichzelf geen voordeel, geen bevordering van geestelijk leven. Dat is de armoede in de geest, het innerlijk onthecht zijn aan alle bezit, het niet-meer-hechten aan aardse of aards-geestelijke goederen, de innerlijke vrijheid om alles los te kunnen laten, als de innerlijke leiding dat wil.

Beheren niet: bezitten in de zin van een onbeperkt beschikkingsrecht dat aan niemand verantwoording schuldig is. Wat iemand beheert kan hij liefhebben, want hij blijft innerlijk vrij en alleen een innerlijk vrij mens kan liefhebben. Wat iemand meent te bezitten, dat verkracht hij, want hij slaat geen acht op de innerlijke wetten van het leven. Anders zou hij niet kunnen willen ‘bezitten’. Hij laat niets en niemand meer in zijn recht, dingen noch mensen noch God. De wereld wreekt zich op lange termijn gezien zonder erbarmen op allen die iets menen te bezitten, hetzij hun lichaam hetzij de aan hen toevertrouwde mensen of goederen. Want hij wordt daardoor onvermijdelijk een vijand van de wereld, een vijand van het aardse leven, een bezitter, een profiteur, een parasiet.

Je kunt niets werkelijk bezitten. Het leven, de constante ervaring van het leven zegt daar ‘nee’ tegen. De waan, iets als onbeperkt eigendom te beschouwen, er naar goeddunken over te mogen beschikken, maakt je op den duur diep ongelukkig en levenszwak. Maar dat roept ieder onheil over je op. Je kunt geen man, geen vrouw, geen kind, geen dier, geen ding, geen aardse of aards-geestelijke waarde ‘bezitten’. De bezitswaan leidt tot de waan van zekerheid en macht, tot de bron van alle aardse en geestelijke verwoestingen.

Beheer je aardse lichaam zonder eraan te hechten, beheer het leven van wie je toevertrouwd zijn zonder hun geweld aan te doen. Beheer je woning, je huis, je erf, je tuin, je velden, beheer miljoenen en miljarden aan aardse waarde. God zegt daar ‘ja’ op als je de waarden, die je werden toevertrouwd, voor het welzijn van allen inzet.

Vanuit je hart stromen je alle mogelijkheden van het leven in meer dan rijke overvloed toe, alles wat je op het vlak van het aardse, de ziel en de geest gelukkig kan maken. Om deze mogelijkheden te realiseren hetzij in de aardse uiterlijke wereld, op het vlak van de ziel of dat van de geest hoef je alleen maar onvoorwaardelijk de wijsheid en liefde van de goddelijke leiding van de wereld te vertrouwen, die ook het kleinste ziet en leidt. Dit vertrouwen is een innerlijke houding, geen proeve van bekwaamheid voor God: ‘Ik vertrouw je, als dit vertrouwen ook direct zo tastbaar en nuttig blijkt te zijn als ik het verwacht’ (‘in mijn dwaasheid en beperktheid’, zou die mens eraan toe moeten voegen). Dat is geen vertrouwen. Dat is bij voorbaat een ‘nee’ tegen God en tegen alle mogelijkheden van een groter leven, zij het op aards dan wel geestelijk vlak.

Als je bezit of macht of allebei wenst, of geschenken naar ziel en geest, zoals jij je die juist nu voorstelt: weet jij of het beheren ervan je ook gelukkig zou maken, of je er nu al tegen opgewassen zou zijn? Bent je reeds of überhaupt in staat om ze zinvol te beheren, zodat ze jou en anderen tot zegen en niet tot vloek worden? Als je ze echter zou willen bezitten, zouden ze je met dodelijke zekerheid tot onheil strekken. Wie ten diepste ondanks alle waarschuwingen bezit of macht als heerschappij wil en daar hardleers in volhardt, krijgt die wil zonder mankeren vervuld. Vanwege de latere gevolgen zou hij dan natuurlijk zichzelf moeten aanklagen. Wie ziek en ellendig wil zijn kan dat doen. Wie zichzelf wil vernietigen kan dat doen. Voor zo’n mens of wezen is de innerlijke vijandschap tegen God, tegen het leven meer waard omdat hij op die manier God in zijn aardse deel kan kwellen.

Wie God in zijn aardse werkzaamheid en daardoor alle mensen en wezens wil helpen, moet allereerst één ding doen: laat hij het wagen gelukkig te willen zijn. Laat hij vrede sluiten met zijn geweten. Hij moet niet meer willen doen dan hem op dat moment en binnen zijn terrein zonder rusteloosheid, zonder gejaagdheid mogelijk is. Van een dergelijke rusteloosheid is verkapte eerzucht of een verkeerd gebruik van zijn krachten de drijfveer. Laat hij eerst recht doen aan de eisen van zijn omgeving, zijn beroep en het aardse leven van alledag. Laat hij zich verheugen, zij het ook over de kleinste dingen. Laat hij de heilloze neiging tot zelfkwelling, tot het bespotten van zichzelf, tot vernedering van zijn lichaam en zijn ziel opgeven. Daarmee treft hij zijn hart, zijn levenscentrum en daarmee God in zijn aardse deel. Voor hem als aardse mens zijn deze ‘zelfkwellingen’, dit bespotten van zichzelf en deze vernedering een lust, anders zou hij het niet doen, ook al spiegelt hij zichzelf voor dat hij daarbij kwellingen ondergaat. God draagt deze kwelling. Maar de mens verwoest daardoor echter zichzelf en vindt, als hij erin volhardt, onvermijdelijk zijn aardse en eeuwige ondergang.

Laat de mens steeds voor de dag zelf zorgen en alleen het werkelijk nodige plannen, dat vandaag al bedacht en voor later voorbereid moet worden. Laat hij zich niet wentelen in kommer en zorgen. Laat hij het wagen het leven te beamen en niet meer te ontkennen. Als hij zo een begin heeft gemaakt en zonder dit neemt hij innerlijk niets aan zullen hem meer en steeds grotere dingen gegeven worden. En op de juiste tijd zal zijn tuin, de tuin van zijn ziel vol bloeiende bloemen staan.’

De wereld was een kleurenfeest van goudgroen, zonoverstraald steengrijs en lichtblauw, van het dal langs de weidehellingen omhoog tot de bergwand en de hoogte van de hemel. ‘De ochtend van Pinksterzondag’, zei Winfried, ‘neerdaling van de Heilige Geest. Maar…’ Maria knikte naar hem. Ze stonden voor hun huis in de ochtendkoelte, in de eerste zonneschijn van een smetteloze meidag.

‘Ja, maar!’, zei Maria. ‘Ken jij een feest onder de mensen dat levende werkelijkheid en niet enkel ‘herinnering aan…’ is? Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Maria Boodschap en alle andere rode dagen op de kalender: herinneringen aan lichtgeschenken, die destijds reeds door de ontvangers ervan min of meer verkeerd begrepen of vervormd zijn. Te allen tijde en overal wacht de Heilige Geest van waarheid en leven, de geest van Oneindige Liefde, de uitstroming van God zelf op gelovige, vertrouwende zielen die hem in zich willen opnemen. Vanuit het diepste van het menselijke hart brandt dit vuur van de Heilige Geest dag en nacht om zich aan hun hoofd te schenken, als neerdaling, als uitstorting van de Heilige Geest vanuit zijn hartgebied in de aardse wereld. Op ieder moment kan dit werkelijkheid worden, als de mens zijn innerlijke ‘ja’ daarover uitspreekt.

Een sleutel, een hemelse sleutel tot dit gebeuren: open jullie ogen en zielen voor iets zuivers en moois, voor het glimlachen van een kind, een man of een vrouw, voor het tere geheim van een bloemkelk of voor de extatische overvloed van licht bij een zonsopgang of –ondergang. Dat is een begin. Verwacht niets bepaalds, verlang niets, wees niet ongeduldig, wees alleen maar bereid. Jullie kunnen dit innerlijke ‘ja’ immers niet afdwingen. Het wil verworven worden door een geleidelijke, stapsgewijze verandering van de innerlijke houding. En dat ligt alleen aan jullie. Jullie hebben vanuit de bovennatuurlijke gebieden, ook al willen jullie het nog niet waarnemen onafgebroken iedere hulp, ieder moment van jullie leven. En mocht dat jullie niet voldoende zijn: het zou denkbaar zijn dat jullie tenminste enkele van mijn woorden, die jullie in de aardse uiterlijke wereld onder ogen komen of in de oren klinken, serieus zouden nemen en ernaar zouden handelen.’

Boven in het bos ontmoette Maria op een morgen de boswachter. Hij was op weg naar huis, terugkomend van één van zijn tochten door zijn bosgebied. ‘Mag ik u een eind vergezellen?’, vroeg hij. ‘Ik had allang graag met u gesproken.’

‘U denkt veel na over het leven’, zei Maria, ‘en komt er toch niet echt klaar mee.’

‘Bestaat er eigenlijk wel een God? De ‘onze lieve Heer’ van mijn jeugd is voor mij allang te gronde gegaan. Als men zo in de natuur en vooral in de mensenwereld kijkt, moet men wel twijfelen aan een rechtvaardige en goede macht boven ons.’

‘U zegt terecht: ‘vooral in de mensenwereld’. Hoe rijper de wezens worden, des te meer onttrekken ze zich aan een rechtvaardige en goede leiding van hun leven (zo nu en dan doen de lage niveaus van de natuur dat al).’

‘Ja, kan God als er een bestaat niets aan dat afschuwelijke gedoe op aarde veranderen, of wil hij niets veranderen? Is God machteloos of is hij een duivel?’

‘U zou even zinvol kunnen vragen: kan ik als boswachter niet verhinderen dat de valk de zangvogel grijpt, of wil ik het niet verhinderen? U zou het voor wat uw gebied betreft kunnen verhinderen als u de valken zou uitroeien. Zou u dat willen? De ziel die in de valk woont heeft haar leven op die manier gekozen. Uit vrije wil zou zij het nooit veranderen. Zou u deze ziel daar door haar lichamelijkheid uit te roeien toe willen dwingen?’

‘Ik geef toe dat mij dat op de een of andere manier tegen zou staan.’

‘God is het geheim van de vrijheid. God is het hart, de bron van het leven dat zijn krachten aan het aardse gebied schenkt. De krachten die het schenkt kunnen al naargelang de wil van de wezens gebruikt worden. Uit de krachten van aarde, water, lucht en zon groeien appels en wolfskers. Waar komt het vergif vandaan? Dringen de aarde, het water, de lucht of de zon het de wolfskers op? Waarom brengt dan niet ook de appelboom dezelfde giftige sappen voort? Iedereen kan de krachten die hem geschonken worden vormen en gebruiken zoals hij zelf wil.’

‘Dan zou God dus boven goed en kwaad staan, eenvoudigweg kracht zijn, neutrale kracht die zegen of vloek kan brengen?’

‘God is oneindig goed: Oneindige Liefde die zichzelf aan alle individuele wezens schenkt zonder loon en dank te eisen, zonder haar kinderen haar eigen karakter op te dringen. Zou het voor al haar kinderen niet vanzelfsprekend zijn om deze onbegrensde liefde tenminste met begrensde liefde te beantwoorden, met dankbaarheid en vertrouwen?’

‘Maar als deze Oneindige Liefde zo misbruikt wordt, zoals steeds maar weer en overal gebeurt, waarom legt God de aarde en de mensen dan niet eenvoudig een wet op die het misbruik verhindert?’

‘Wees nu eens heel eerlijk: zou u in uw huis en op uw levensterrein in alles Gods wet opvolgen, of zou u niet toch liever, ook al bekent u het niet openlijk, zelf de baas willen zijn?’

‘Het is moeilijk dat openlijk toe te geven, ja. Maar als ik kan kiezen wil ik toch liever zelf de baas zijn en mijn leven inrichten zoals het mij bevalt.’

‘U hebt werkelijk zo kunnen kiezen, want ooit was u volkomen vrij. God heeft u geen enkele beperking opgedrongen die u niet wilde. U zelf hebt zo gekozen en zoals u hebben alle geestelijke wezens gedaan, voorzover ze individuen wilden blijven. Niet één wilde in zijn diepste innerlijke wezen iets anders dan: de baas zijn. Niet één bracht zoveel vertrouwen op dat hij de waarheid kon erkennen: wie zich door God tot aan zijn geestelijke voleinding als zijn kind laat leiden, in onvoorwaardelijk vertrouwen, bereikt volledige vrijheid en zelfstandigheid in God. In de Oneindige Vrijheid van Zijn wezen, die hem zou dragen zoals de lucht de adelaar draagt in onbegrensde vrijheid voor alle richtingen van de ruimte.

Alle individuele wezens zeiden: ‘Nee, niet gedragen worden, dat is ons te onzeker; je zou ons eens kunnen laten vallen. Wij willen op stevige grond staan. Schep ons een starre grond, die dus ver van jouw wezen af staat. Daar willen we op vertrouwen. We willen ons kunnen inbeelden dat deze grond ons niet draagt, maar dat hij door ons betreden wordt. Zo zijn wij heren over jou, de dragende grond van het leven, zij het ook slechts over de buitenste omhulsels van jouw eigenlijke wezen’. Daarom kunnen de wezens in hun innerlijke leven van ziel en geest allemaal niet vliegen; ze zijn niet werkelijk vrij, ze zijn aan de aarde, aan het aardse gehecht. Ze trappen en vertrappen, en worden getrapt en vertrapt. Want geen enkele ‘heer’ wil bij zijn innerlijke besluiten, die tenslotte ook zijn uiterlijke leven als lot bepalen, met anderen rekening houden. Hij wil onbegrensd de baas zijn, en zo vertrapt de een de ander.

In het uiterlijke bewustzijn is deze innerlijke houding veelal verborgen, door overwegingen van voorzichtigheid en zelfrespect uit het zicht verdrongen. Des te gevaarlijker invloed heeft ze niet toetsbaar door het uiterlijke bewustzijn, dat als enige door het zelf geschapen lot lijdt op het onderbewustzijn, waar de mens uit gebrek aan besluitvaardigheid alle belangrijke aardse en geestelijke beslissingen aan overlaat. Het onderbewustzijn, dat op zichzelf gesteld en door de neiging van het dagbewustzijn om te verdringen in een vijandige tegenstelling in plaats van een elkaar aanvullende eenheid daarmee geraakt is, valt ten prooi aan het denken en voelen van de massa. Slechts in eenheid met het dagbewustzijn zou het als een eigen persoon, zelfverantwoordelijk kunnen handelen. In overeenstemming met het wezen van de massa, die altijd vernietiging begeert, kiest de mens in aardse en in geestelijke dingen dan tegen het leven. In zijn onderbewuste gebieden geniet de mens van zijn zelf geschapen ‘lot’, dat hij in zijn wakend bewustzijn als leed ervaart, als lust.

Zolang de mensen en vooral de geestelijke leiders van de mensheid niet de moed opbrengen om volledig bewust en in eigen verantwoordelijkheid hun aardse en geestelijke beslissingen te nemen, zal het op aarde nooit anders worden. Want ondanks de heerszucht, die stijf en strak met het innerlijke wezen van de mensen verbonden is, zouden veel keuzes anders uitvallen als ze op zijn minst bij vol dagbewustzijn genomen zouden worden. De mensen zouden zich dan niet meer zo voor de uiterlijke gevolgen van hun keuzes kunnen afsluiten als tot nu toe en God, die hen onophoudelijk adviseert en waarschuwt, voor hun door eigen schuld veroorzaakte ongeluk verantwoordelijk stellen.’

‘Hoezo kunnen de mensen van het lot, dat ze in hun dagbewustzijn als pijn, kwelling en leed ervaren, in hun onderbewustzijn als lust genieten?’

‘Omdat ze in hun eigen onderbewustzijn juist vanwege de vijandige scheiding van het wakend bewustzijn ten prooi zijn gevallen aan het voelen van de massa, van de ‘wereld’, van ‘de mensen’, genieten ze van hun lust, hun leedvermaak over hun eigen vernietiging, alsof het hun eigen lust was. Het leedvermaak van de wereld slaat op hen over. Ze kunnen hun eigen gevoelens immers niet van die van de massa scheiden. Slaafs afhankelijk als ze daarvan zijn moeten hun gevoelens synchroon met de massa vibreren, ook al worden ze daarbij zelf beschadigd of vernietigd.’

‘U zei tevoren: ‘U was ooit vrij’. Zijn wij dat niet meer?’

‘Waarom vraagt u dat? Ervaart u zichzelf als vrij? Voelt niet ieder individu, ieder volk zich gedreven door duistere machten, door de ‘krachten van het lot’ die ze lang niet altijd de baas worden? Zijn de mensen de baas over hun leven, over hun dood, zoals ze dat toch wilden zijn? Als slaven van hun heerszucht zijn ze slaaf van alles wat zij wilden beheersen: slaaf van hun eigen lichaam, slaaf van de massa, van het onpersoonlijke ‘men’ (men mag niet zo denken, zo voelen, zo handelen, men moet…). Slaaf van hun ‘geweten’, dat zij tot een terneerdrukkende, aan het leven vijandige macht hebben vervalst en daarom in het geheim voortdurend belachelijk proberen te maken om de ‘dwang’ ervan te ontlopen. Ze zijn slaaf van hun wetenschap, hun techniek, die ze geschapen hebben en steeds verder uitbouwen om het leven de baas te worden. Ze zouden echter ook, in plaats van de mensheid de toegang tot hogere levensgebieden te versperren, binnen de juiste begrenzing het leven van de samenleving en het individu kunnen bevorderen.

Is de mens nog vrij? Wil hij eigenlijk wel vrij zijn? Dan zou hij niet meer mogen willen heersen, beheersen. Hij zou de vrijheid evenals al het geestelijke niet met het verstand mogen benaderen en haar mogelijkheid willen bewijzen of weerleggen. Want het verstand zoekt onvermijdelijk dwingende bewijzen, het tracht te dwingen. Dat mag het in de neutrale materiële wereld, in de daarbij behorende wetenschap en techniek. Maar als het zich aan het geestelijke waagt om dit overeenkomstig zijn aard vast te grijpen, begrijpelijk te maken, dwingend voor allen, dan breekt het erop stuk. En de mens die zich aan zijn verstand als zijn leider heeft overgegeven breekt samen daarmee stuk. Kan de mens vrij zijn? Ja. Is hij vrij? Nee. Wil hij vrij zijn? Op dit punt lopen de meningen uiteen!’

‘En waar zal dat eindigen?’

‘De mensen van goede wil allen die nog de moed bewaard hebben om dagbewust aardse en geestelijke beslissingen te nemen, allen die verkeerde bindingen en gewoonten willen loslaten zullen zich in hun dagbewustzijn voor de waarheid openen. Zij zullen zich daardoor laten leiden en zullen hun heerszucht opgeven.

De mensen van kwade wil (hun ‘wil’ is enkel nog de zucht om te genieten) allen die zich alleen nog maar door aandriften laten bepalen en de noodzakelijke aardse en geestelijke beslissingen steeds weer wegschuiven en verdringen (hoewel ze zouden moeten inzien dat hun leefwijze tot nu toe naar een verandering op aards of geestelijk vlak verlangt) zullen in aards en geestelijk opzicht voor altijd ten onder gaan. Voordat ze doorgaan steunend op hun aardse macht, hun aardse aanzien, hun in aards opzicht schijnbaar stevige positie met innerlijk de waarheid te bespotten (in de uiterlijke wereld zijn ze daar te laf voor), voordat ze definitief besluiten om geen keuze voor of tegen God te maken en doorgaan zich door hun driften te laten bepalen, laten zij denken aan het volgende woord: Gods molens malen langzaam, maar ze malen verschrikkelijk fijn!

Op een zomeravond zat Winfried aan de bosrand boven de weiden, waarover liefkozend in zachte vlagen de avondwind streek, en keek naar beneden naar zijn huis, waar hij Maria wist.

‘Mijn geliefde vrouw’, peinsde hij. ‘In mijn diepste innerlijk noem ik haar altijd ‘onze lieve vrouwe’, ‘madonna’. Het kan mij niet meer in de war brengen dat zij helemaal als mens bij mij is. Zij zegt immers ook: ‘Iedere vrouw zou het kunnen zijn’. Het wordt pas tot een afgrond van onmetelijkheid, waar ik mij zalig in verlies, wanneer ik haar uiterlijke mensengedaante loslaat en haar innerlijke wezen nader. Dan zink ik weg in een bruisend, onmetelijk waaien, in een onzegbaar, oneindig stralen. Maria: dat is het oneindig stromend golven, de zee van eeuwig worden en zijn. Ik kan ‘onze lieve vrouwe’ zeggen, wanneer dit oneindige mij als vrouw tegemoet treedt. Maar ‘moeder Gods’ blijft mij vreemd.’

De zon was ondergegaan. In licht blauwgroen stond de avondhemel boven hem. Toen vlamde het plotseling voor zijn ogen op als een bliksemflits, die dal en berg in een oneindig vlammend bewegen hulde. Vóór hem stond de gedaante als van een mens, die toch oneindigheid was. Een naam sprong omhoog uit zijn hart: Maria!

Toen drong haar stem tot hem door, heel ver en heel nabij tegelijk: ‘Jij ziet mij nog als gestalte, want anders zou je mij niet kunnen herkennen. Maar je ziet mij niet als man en niet als vrouw. Want ik ben Het. In mijn aardse gedaante moet ik man of vrouw zijn, gelijk aan de mensen, als één van hen. Want anders zouden ze mij niet in hun midden willen verdragen. Waar ik zoals hier in het verborgene kan werken is mijn aardse gestalte die van een vrouw. Want de moederlijke gestalte van een vrouw is het volmaaktere uitdrukkingsbeeld van de Oneindige Liefde. Als Eeuwig Jij van de mensen ben ik voor iedereen man of vrouw. Want geen menselijk wezen kan mij als HET begrijpen en liefhebben. Ga nu naar beneden en spreek verder met mij in mijn menselijke gedaante.’

Hij trof haar in de woonkamer. Ze verwachtte hem. Met diepe verbazing keek hij haar aan. ‘Je moet nu met mijn menselijke gedaante spreken’, zei zij. ‘Anders kan de wereld mij niet begrijpen, en ik ben er immers voor allen. Wat jij beleeft en begrijpt, straalt uit naar allen.’

Ze glimlachte. ‘Ik weet wat je wilt vragen. Ik leef op alle niveaus precies even bewust als ik nu tegen jou spreek. Voor mijn bewustzijn heb ik geen menselijke gestalte nodig. Ik heb die alleen maar nodig omdat de mensen geen andere verschijningsvorm van mijzelf willen aannemen, tenzij om zich daardoor van mij te kunnen scheiden. ‘Onze lieve vrouwe’, ‘madonna’, ‘koningin des hemels’ ben ik zelf als wereldziel, als het veilig dragende thuis van allen. Jullie moeten geen ‘moeder Gods’ meer zeggen. Ikzelf ben vader en moeder van alle wezens.

Altijd zijn er mensen geweest, vooral vrouwen, die een belichaming van mijzelf op aarde wilden zijn en zo het geheel wilden dienen. Altijd werd hun wil vervuld. Geen van hen heeft mijn wil vervuld, namelijk om allen te dienen, ook de moeder van mijn aards omhulsel als Christus niet. Slechts hun innerlijke houding tegenover de gebeurtenissen van de buitenwereld was trouw.

Jullie moeten mij ook geen ‘Heer’ of ‘Here God’ meer noemen. Nooit heb ik, jullie eeuwige ‘jij’, iets anders willen zijn dan jullie vriend, jullie vader, jullie moeder, jullie geliefde, de jullie leidende en helpende hand, veilig dragende schoot, hart en thuis.’

‘Veel in het Oude Testament sticht nog altijd verwarring’, zei Winfried op een ochtend tegen Maria. ‘De zondeval als motivering voor de ellende in de wereld, de verdrijving uit het paradijs, de vervloeking door God van de mensheid en met haar de hele schepping, de eigenaardige en erbarmelijke houding van Adam, de stamvader van de mensheid, die na de zondeval zijn schuld onmiddellijk op Eva probeerde af te wentelen (‘de vrouw heeft mij verleid’). Verder het godslasterlijke verhaal dat God voor de mensen midden in hun paradijs een boom met verleidelijke vruchten geplant zou hebben en hun tegelijkertijd op straffe des doods verboden zou hebben om van deze vruchten te eten.

Nu weet ik: God legt geen vuurproeven op, God leidt niemand tot verzoeking in het Onze Vader staat: ‘Leid ons in de verzoeking [2] (door de wereld)’ en bovenal: God straft niet. De gestalte en de naam Eva, ‘moeder van de levenden’, heeft echter iets stralends, heeft een waarheid in zich. Met de gestalte en de naam Adam heb ik nooit vertrouwd kunnen raken.’

‘De houding van Adam zijn heersen en jammerlijke ineenstorting staat voor de houding van Lucifer, zijn medeschuldigen en al hun trawanten tot op vandaag: hebzuchtige begeerte naar leven en kennis, naar goddelijke waardigheid en macht; en de jammerlijke ineenstorting als ze voor de gevolgen van hun misdaden tegen ‘Het Leven’ staan: het afwentelen van hun schuld op de ‘moeder van alle levenden’, op de wereldziel, op mijzelf. Eva is een andere naamsvorm voor Maria.

Temidden van deze verkeerd geïnterpreteerde visionaire beelden staat als waarheid het woord: ‘De vrouw d.w.z. de wereldziel, de dragende en duldende liefde zal de slang de kop vertrappen’. De kop van de luciferische machten, hun verstand dat ze als wapen tegen de waarheid en de liefde, tegen de wereldziel keren, breekt stuk onder haar naar het licht schrijdende voeten.

Altijd heeft de mensheid zichzelf uit de paradijzen, uit de Hogere Niveaus van het leven verdreven. Altijd heeft de mensheid zelf haar woning, de aarde, en de arbeid op het aardse niveau vervloekt. Weliswaar staat voor het paradijs, voor de Hogere Niveaus van het leven de ‘aartsengel met het vlammende zwaard’: Michaël, de strijdende kracht van God als deelkracht van de Oneindige Liefde. Maar hij staat hier niet als vijand, hij staat hier als waarschuwer, als behoeder van de drempel.

Wie niet in de waarheid wil leven, moet liever ver van deze gebieden blijven. Laat hij geen begeerte hebben naar het goud van het goddelijke licht. Laat hij in zijn denken en streven op de aardse wereld blijven, op het enige niveau waar ook een afvallige nog kan leven en ademhalen. Wie wil liegen, bedriegen, huichelen, parasiteren en laf zijn en desondanks deze gebieden zou willen binnensluipen, breekt onverbiddelijk stuk op de waarheid die zijn wezen onthult: op het vlammende zwaard, op het schroeiende generzijdse licht van de doodsengel: scheiding der geesten.

Michaël is de wereldziel zelf, God zelf als strijdende gestalte, als transformerende kracht, als behoeder van de drempel, als dragende, duldende en strijdende liefde omhoog door alle gebieden van het leven heen. Want nooit anders dan strijdend en duldend kon de Oneindige Liefde de wezens dragen, tot aan hun voleinding in het in vormen bepaalde Eeuwige Licht of in de geestelijke dood. Altijd was en is het een strijd voor het zelf gekozen einddoel van alle wezens. God is geen vijand van welk wezen dan ook. Wie stuk wil breken, breekt stuk op mij. Wie ondanks alle waarschuwingen ten onder wil gaan, gaat in mij ten onder. Wie het eeuwige leven wil, komt terecht bij mijn hart, al is zijn verblinding, zijn schuld ook enorm. Het licht zoekt en vindt het licht, het oerlicht, zijn thuis!’

Deze website gebruikt cookies om uw taalvoorkeur op te slaan wanneer u van taal wisselt. Als u dit niet wilt, dient u geen gebruik te maken van de taalwisselaar.