Foto van een Vinca-bloem

Een persoonlijk verhaal van Auke van Gemert, vertaler van Max Prantls werk en oprichter van de Stichting Max Prantl.

Het is natuurlijk heel zinvol om over Max Prantl te praten en te schrijven: niet alleen is hij ten onrechte in de vergetelheid geraakt, maar hij heeft zoveel belangrijks te vertellen dat dat best vaker en nadrukkelijker gehoord mag worden. Maar als het erom gaat de mensen echt te raken, kom ik er niet omheen iets over mijn eigen beweegredenen te vertellen. Ongeveer zoals je eindeloos over Jezus kunt praten (zie de kerken), terwijl er zonder het Pinkstervuur van Petrus geen ‘duizenden’ of zelfs maar weinigen geraakt zullen worden. Dus: wat heeft mij al die jaren bezield om zoveel tijd en energie te besteden aan een onbekende mysticus met wereldvreemde ideeën? Waarom ben ik zo ‘gek’ geweest me te verdiepen in wat geen weldenkend mens in feite wil?

Even terug naar het begin. Sinds ik 52 jaar geleden geboren werd ben ik altijd een ‘Godzoeker’ geweest. Dat ik mij in het hervormde milieu van thuis niet kon vinden is achteraf niet meer dan logisch, evenals mijn latere zwerftocht langs diverse ‘spirituele’ groepen en clubjes. Mijn ‘zoeken’ is echter nooit overgegaan, nooit kon ik ermee ophouden. Een geestelijke crisis in mijn leven 12 jaar geleden maakte dat ik innerlijk van ganser harte voor het ‘Leven’ heb gekozen. Sindsdien ben ik een ‘Jezus-fan’, maar van binnen, zonder evangelische, charismatische of andere extatische uitingen.

Het vertalen van boeken is voor mij steeds een weg van bewustwording geweest; altijd zei ik tegen mezelf: ‘Als ik dit werkelijk wil begrijpen, moet ik dit vertalen’, m.a.w.: moet ik het in me opnemen en er mijn eigen woorden aan geven. Zo heb ik jarenlang boeken van onder meer de mysticus Jakob Lorber vertaald, tot ik later op het werk van Max Prantl stuitte. Inmiddels heb ik zijn gehele werk vertaald en uitgegeven.

Wie het Leven zoekt, zoekt het werkelijke leven, de geestelijke werkelijkheid ofwel de waarheid. Bij al mijn zoekerij bleek mij niet alleen steeds weer dat ‘de waarheid’ ergens in het midden moest liggen (en dus juist niet in die club, sekte of gemeenschap), maar ook dat veel voor waarheid moet doorgaan wat in feite inbeelding en hersenspinsel is. Erg veel mensen kletsen maar wat en praten hun eigen inbeeldingen of die van anderen na, en daarbij maakt het niet uit of het om kerkelijk-religieuze, spirituele dan wel New Age clubjes of hoe ze zich allemaal ook mogen noemen gaat. Wat ze gemeen hebben is de overtuiging dat ze de juiste antwoorden al kennen en dus opgehouden zijn de echte (geestelijke) vragen te stellen. Kennis van geestelijke zaken is nogal eens ver te zoeken.

Toen ik voor het eerst ‘Het stralende hart’ van Max Prantl las (in het Duits toen nog, vanzelf: ‘Licht aus der Herzmitte’), werd ik getroffen door twee dingen: enerzijds zijn oprechte en nooit ophoudende zoeken naar ‘God’, anderzijds zijn eigen ervaringen, waardoor hij de waarheden die ik zocht uit eigen beleving kon bevestigen. Het was met name zijn eigen beleving van de geestelijke werkelijkheid die mij niet meer losliet, want dat was nu net waar het al die andere waarheidsprofeten aan ontbrak. Voor mij was dit de ontbrekende schakel.

Als Jezus-fan ging ik natuurlijk onmiddellijk na of zijn uitspraken wel klopten met die van Jezus, want dat was voor mij de toetssteen. Inmiddels had ik wel geleerd dat de bijbel (als informatiebron en dus ook als basis voor religieuze uitgangspunten) nauwelijks meer betrouwbaar genoemd mag worden, gezien de vele wijzigingen die er in de afgelopen 2000 jaar in zijn aangebracht: met name het Nieuwe Testament is een vat vol menselijke bedenksels met hier en daar nog een parel erin. Mijn beeld van Jezus was dan ook behoorlijk veranderd, maar wonderlijk genoeg kwam het steeds sterker overeen met wat Prantl uitsprak. Een latere vergelijking met Boeddha liet mij hetzelfde zien: evenals het christendom is ook het boeddhisme verwaterd en door latere Paulussen en andere ‘verbeteraars’ kromgetrokken, maar de oorspronkelijke geest kwam verbazend nauwkeurig met die van Prantl en dus ook met die van Jezus overeen.

Hier had ik het bij kunnen laten: dank je wel voor de nieuwe inzichten en we gaan over tot de orde van de dag. Zo doen veel mensen het, dus waarom ik niet? Maar Max Prantl liet me niet los. Ik voelde het als onrechtvaardig dat hij zo sterk in de vergetelheid gedrukt was: ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat dat met opzet was gebeurd. Later groeide die overtuiging steeds meer, waarbij ik ook steeds sterker de behoefte kreeg om dat feit ‘recht te zetten’. Zijn geestelijke inzichten vond en vind ik zo waardevol, dat ik in eerste instantie het plan opvatte zijn boeken op de een of andere manier uit te gaan geven, terwijl ik kort daarna begon een informatieve website over hem op te starten. Ik wilde gewoon afmaken waar hij niet meer aan toe was gekomen. Dat was een belangrijke beslissing.

Ik kreeg contact met zijn zuster Elisabeth (die nog in Oostenrijk woont), die mij in heel veel opzichten ondersteund heeft. We hebben een heel bijzondere band. Ook mijn vrouw en kinderen raakten meer en meer betrokken, evenals enkele andere mensen, zodat voor mijn persoonlijke gedrevenheid nu een groter draagvlak ontstond. Op dit moment is een groot deel van het voorbereidende Nederlandse werk afgerond: de website is er, de boeken zijn in eigen beheer uitgegeven, er zijn kaarten en brochures, er is een kleine groep belangstellenden. In Oostenrijk en Duitsland bestaat nog altijd belangstelling, en verheugend genoeg is voor het eerst in vele jaren opnieuw een belangrijk werk van Max Prantl in het Duits uitgegeven: 'Der Mensch ohne Angst - Licht aus der Herzmitte'. Eigenlijk zou het werk ook nog in het Engels vertaald moeten worden, omdat dat een groot deel van de wereld zou ontsluiten. Wie weet.

Het werkelijk en ten diepste bezig zijn met het geestelijke leven van een mysticus is - in tegenstelling tot het volgen van een of andere goeroe - niet vrijblijvend, je kunt dat niet even doen en dan naast je neerleggen. Dat geldt al voor een figuur als Lorber (hoewel het bij hem allemaal nog erg bijbels, dus afstandelijk en dus ook nog niet zo levens-ingrijpend is), maar het geldt helemaal voor Max Prantl. Hij is voor zover ik weet de enige die zo nadrukkelijk en logisch duidelijke geestelijke eisen aan de mensen stelt. Eisen die niet uit de lucht komen vallen of iemands eigenbelang dienen, maar die volkomen in overeenstemming zijn met wat de grote geestelijke figuren in het verleden hebben geleerd (dat de mensheid die eisen en hun consequenties toen en ook nu niet wilde horen is daarbij vers twee). Maar de toon is niet eisend of veroordelend (strafgericht, laatste oordeel en zo), eerder van een onontkoombare logica. Het is gewoon zo.

Hij is ook degene die zo scherp de duistere krachten in hun actieve werkzaamheid aan de kaak stelt, dat ik (gelukkig!) het bestaan van het gepersonifieerde kwaad, de ‘duivel’, weer bevestigd zag. Tegenwoordig mag het geloof in een duivel eigenlijk niet meer, het heet ‘je schaduw’ of ‘onbewuste kant’ of zoiets. Daar ga je mee om in de zin van beheersing en relativering. Maar Prantl laat zien dat er krachten zijn waarbij relativerende beheersing geen zin of effect heeft en die enkel gevoelig zijn voor het levende licht dat uit het menselijke hart voortkomt. Daarmee overstijgt hij het gangbare gedachtegoed en betreden we een gebied van echte kracht of het omgekeerde daarvan: de parasieten. En het meest onthullende daarbij: de duistere astrale wereld wordt niet eens zozeer in stand gehouden door een grote duivel achter de schermen (Lucifer of zoiets, die we net als God van alles de schuld kunnen geven) maar veeleer door de mensen zelf (al dan niet meer geïncarneerd).

Wat Prantl in alle opzichten doet, is de verantwoordelijkheid en bron van de problemen bij ons mensen zelf leggen en tevens de mensheid haar juiste plaats te wijzen: een plaats als ‘dier’ (op aarde) en ‘baarlijke duivel’ (in de astrale wereld) voor wie niet anders wil, een plaats als aan Jezus en anderen gelijkwaardige ‘Eeuwige Zon’ (op aarde en in de hogere sferen) voor wie de waarheid wil. Voor mij was die ontdekking een verademing, omdat daarmee voor mij de uitspraken van Jezus zin en geldigheid kregen, wat weer de weg opende om de boodschap van Jezus en tevens de geestelijke werkelijkheid beter te verstaan.

Een andere kant van Prantl die mij als rechtstreeks raakte was zijn instelling tegenover het ‘lijden’ en zijn bereidheid het zelf te ondergaan. Voor hem is het niet meer dan logisch dat innerlijk licht weerstanden oproept en dat er dus zeker vanuit de astrale wereld aanvallen zullen volgen: het kruisigen van Christus is voor hem een vanzelfsprekendheid, de mensen kunnen in hun zelfgekozen beperktheid niet anders dan de levenskracht vermoorden. Omdat hij zich zijn grote geestelijke kracht realiseerde, bracht hij het zelfs op om te zeggen: ‘Laat de duistere machten mij maar zoveel mogelijk aanvallen, dan ontlast ik daarmee zwakkere zielen en geef die zodoende de kans om hogerop te komen’. Een offerbereidheid die wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen, maar die we nog wel terugvinden in bijvoorbeeld Jezus, die ‘het leed c.q. de zonden der wereld droeg’. Sinds ik mij met Prantl heb beziggehouden heb ik in mijn eigen leven de aanvallen vanuit de astrale wereld dag aan dag kunnen bevestigen, niet alleen als hinderen of doodzwijgen, maar zeker ook als letterlijke moordzucht. Kennelijk ben ik voor duistere elementen ‘de moeite waard’ geworden.

Dit alles beantwoordt volledig aan wat ik mijn leven ‘gezocht’ heb: een levende werkelijkheid, levende kracht in een materiële en dus beperkte omgeving: God in actie! Eigenlijk een onmogelijke combinatie, menselijk gezien. Geen wonder dan ook dat ‘de wereld’ met haar ‘realistische’, ‘verstandige’ aanpak en ‘betaalde liefde’ er geen waardering, geld of ruimte voor over heeft. Prantl maakte het mee, Jezus en vele anderen maakten het mee, en ook ik kan het volledig uit eigen ervaring bevestigen.

Een ander ding - waar ik in eerste instantie niet op voorbereid was - is eenzaamheid. Werkelijk geestelijk leven maakt eenzaam. Aangezien verreweg de meeste mensen hun eigen materie-gerichte gedachten voor ‘geest’ houden en hun innerlijk leven daarmee dus overschaduwen of gewoon ontkennen, hebben zeer velen eigenlijk geen idee waar Prantl het over heeft - of waar ik het over heb. Daarmee is op dat niveau communiceren moeizaam of onmogelijk. Het wordt nog verergerd doordat we tegenwoordig in een regelrecht ‘goddeloze’ tijd leven, een tijd waarin met God geen rekening meer wordt gehouden, zodat ook iedere vorm van zoeken naar hogere levensmogelijkheden in feite onmogelijk is geworden. Wie niet omhoog kijkt zal nooit de zon zien, tenslotte.

Het beantwoordt allemaal aan wat Prantl als de ‘scheiding der geesten’ aanmerkt: geen laatste oordeel in de apocalyptische zin, maar een definitieve geestelijke keuze van de mensen, waardoor hun levenswerkelijkheid en daarmee hun toekomst als geestelijk wezen bepaald wordt. Persoonlijk heb ik er moeite mee gehad dit in te zien (God houdt toch van alle mensen en zal ze dus eindeloos achterna lopen, had ik immers geleerd), maar ik ontkwam er nooit aan de juistheid van zijn visie te moeten erkennen. De eigen keuzevrijheid, de eigen vrije wil van mensen moet een eigen plaats hebben in het leven - waar die keuze ook toe moge leiden. Prantl schetst daarbij een veel wijder en diepgaander beeld van de reikwijdte van de menselijke vrije wil dan ik ooit eerder was tegengekomen - en geeft daarmee ruimte aan perspectieven die een ver-gaande ontwikkeling naar het licht inhouden.

Als recept tegen alle (!) geestelijke wantoestanden geeft Max Prantl in feite één enkele remedie: zet je angst opzij, sta jezelf niet toe bang te zijn. Angst is de basis van alle problemen. Dat angst tevens het masker van geestelijke traagheid, onwil en alle overige duistere egotripperij is stipt hij wel aan, maar hij gaat er niet onnodig diep op in. Daarentegen is het volgens hem zaak te leren je eigen ‘innerlijke zon’ te laten stralen en daarmee de duisternis en angst te doorlichten. Deze pragmatische benadering heeft mij steeds mateloos geboeid: een soort spirituele nuchterheid waar je wat mee kunt, zonder de zweverigheid of slachtofferigheid die de zogeheten spiritualiteit kenmerken en die dodelijk zijn voor geestelijke groei.

In het bovenstaande heb ik proberen aan te geven wat het nou is, dat mij in Prantl raakte of getrokken heeft. Maar in feite beschrijf ik daarmee niet meer dan elementen van overeenstemming, punten van herkenning. Het gaat echter om meer dan herkenning als zodanig, in wezen om de liefde die ik voor hem ben gaan opvatten. Herkenning als zodanig kan - hoe meditatief ook - nog klinische beschouwing zijn; het is evenwel liefde, wanneer herkenning het leven betreft en daarmee tot een mystiek bruiloftsfeest, tot Unio Mystica wordt. Wijsheid is de manier waarop liefde zich uitdrukt en vorm aanneemt - het zijn deze uitdrukkingsvormen die te herkennen zijn, terwijl liefde zich als een blije innerlijke eenheid doet gelden. Tot zover zal iedere spirituele lering - en zelfs menig ‘christelijk’ denkende - met mij mee kunnen gaan. Maar het zou Prantl niet zijn als hij het niet uitbreidde met de Wil de goddelijke wilskracht die niet anders dan het ware leven wil en dus oude bestaansvormen afbreekt en nieuwe inleidt. Wie deze wil tot de zijne maakt wordt in wezen tot een ‘Michaël’, een strijder voor God, een daadwerkelijk vlammend lid van de ‘strijdende kerk’.

Daarmee maakt Prantl een stap die de mensheid in feite niet wil: daadwerkelijk te kiezen en uitvoering te geven aan wat er innerlijk leeft. Liefde, wijsheid en wil: de goddelijke drie-eenheid die het rijk Gods, het rijk van de Eeuwige Zonnen op aarde tot realiteit maakt (‘uw wil geschiede in de hemel en op aarde’). Dat hij ook anderen tot die stap oproept is niet meer dan logisch. En omdat dat ‘hemelse’ rijk op aarde ten diepste altijd mijn levensdoel is geweest, was het voor mij even logisch om mij er in verbondenheid met Max Prantl ‘met geheel mijn hart, geheel mijn ziel en verstand en met geheel mijn kracht’ voor in te zetten.

Auke van Gemert